ECLI:NL:RBNNE:2025:5850

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/18/249211 / FT RK 25/1127 en C/18/249214 / FT RK 25/1129
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord in schuldsanering

Verzoekers, een gehuwd stel met een gezamenlijke schuldenlast van €401.800,94, dienden een verzoek in tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord. De schulden zijn grotendeels ontstaan door financiële problemen in de onderneming van verzoeker sub 1, die sinds 2024 als ZZP’er werkt en een verbeterd bedrijfsresultaat heeft. Verzoeker sub 2 is gedeeltelijk herintreden in werk na een periode van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank beoordeelde het verzoek tot dwangakkoord op basis van de juiste uitvoering van schuldbemiddeling door een bevoegde instantie en de onredelijkheid van de weigering van enkele schuldeisers. De meerderheid van schuldeisers stemde in met het akkoord, behalve ANWB en Pensioenfonds Detailhandel die niet reageerden.

De rechtbank concludeerde dat het voorstel het maximaal haalbare is, dat het inkomen van verzoekers stabiel is en dat de schuldregeling gunstiger is dan toelating tot de Wsnp. De weigering van de schuldeisers werd als onredelijk beoordeeld. Het verzoek tot toelating tot de Wsnp werd als ingetrokken beschouwd.

De rechtbank beveelt Pensioenfonds Detailhandel en ANWB om in te stemmen met de schuldregeling. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling dwangakkoord toegewezen en weigeraars verplicht akkoord te gaan met schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummers: C/18/249211 / FT RK 25/1127 en C/18/249214 / FT RK 25/1129

vonnis van 27 november 2025

in de zaak van:
[verzoeker sub 1], geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] en
[verzoeker sub 2], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ,
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers
tegen
Pensioenfonds Detailhandel, correspondentieadres: Postbus 59205, 1040 KE Amsterdam
en
ANWBvertegenwoordigd door Trust Krediet Beheer B.V. correspondentieadres: Postbus 117, 1000 AC Amsterdam

Procesgang

Op 17 oktober 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door schuldhulpverleningsbureau [schuldhulpverleningsbureau] .
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 13 november 2025. Hierbij zijn verschenen verzoekers bijgestaan door de heer [schuldhulpverlener van schuldulpverleningsbureau] . Pensioenfonds Detailhandel en ANWB zijn opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.

De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Verzoekers zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen De totale schuldenlast van verzoekers is
€ 401.800,94. Het grootste deel van de schulden is ontstaan uit de onderneming van [verzoeker sub 1] . [verzoeker sub 1] is sinds 26 maart 1998 werkzaam als ondernemer. Na jaren van stabiliteit zijn financiële problemen ontstaan tijdens de coronacrisis. Verder is onvoldoende sprake geweest van personeelsbeleid door [verzoeker sub 1] . Personeel liet kwalitatief te wensen over hetgeen zijn weerslag heeft gehad op het bedrijfsresultaat en de verdiensten en heeft geleid tot het ontstaan van een problematische schuldenlast. [verzoeker sub 1] heeft in 2024 afscheid genomen van het personeel en is sinds 2024 werkzaam als ZZP’ er, hetgeen heeft geleid tot een enorme verbetering van het bedrijfsresultaat. Verder heeft [verzoeker sub 1] een herseninfarct gehad, waarvan hij naar eigen zeggen is hersteld.
[verzoeker sub 2] is volledig afgekeurd en ontving van 2015 tot en met 2020 een WIA-uitkering. Door personeelstekort heeft haar oud werkgever gevraagd of zij kon terugkeren en per
1 juli 2021 is [verzoeker sub 2] parttime werkzaam voor 20 uur per week. Zij beheert daarnaast in samenspraak met de boekhouder de administratie van de onderneming van [verzoeker sub 1] .
Verzoekers hebben een akkoord aangeboden tegen finale kwijting waarbij naar verwachting de preferente crediteur 8,63 % en de concurrente crediteuren 4,31 % van hun vorderingen ontvangen. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve ANWB en Pensioenfonds Detail aanvaard.
ANWB en Pensioenfonds Detail hebben niet gereageerd op het voorstel

De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
De rechtbank overweegt dat een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering van een verweerder om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en de schuldenaar tegen elkaar afwegen.
Bevoegde instantie
De rechtbank stelt allereerst vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door [schuldhulpverleningsbureau] . De schuldbemiddeling is aldus uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet. [schuldhulpverleningsbureau] heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen, maar verzoekers zouden worden toegelaten tot de Wsnp. [schuldhulpverleningsbureau] is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Belangenafweging
Het is belangrijk dat personen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. Uitgangspunt is echter dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling als die schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser daarom gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n aanbod. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeisers niet redelijk is. Om dit te kunnen beoordelen weegt de rechtbank de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af.
Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp
De rechtbank is van oordeel dat, indien verzoekers zouden worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, hun schuldeisers aan het einde van de schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in het kader van de aangeboden schuldregeling.
Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting en vrij te laten bedrag berekening blijkt dat [verzoeker sub 1] een maandelijks inkomen heeft als ZZP’er van netto € 3.600,00 en [verzoeker sub 2] een netto-inkomen heeft uit loon uit dienstbetrekking van € 1.689,00 en dat voor hen een vrij te laten bedrag is berekend van € € 3.307,88. Onder de huidige omstandigheden is daardoor maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar van € 1.981,12. In totaal kan in de schuldsaneringsregeling naar schatting, na aftrek van de kosten, € 33.376,41 worden gespaard. Tijdens de Wsnp zal gespaard worden volgens nagenoeg hetzelfde systeem als gehanteerd wordt tijdens de schuldregeling door [schuldhulpverleningsbureau] . Tijdens de Wsnp zal bewindvoerderssalaris moeten worden betaald. De totale kosten in het minnelijke traject bij [schuldhulpverleningsbureau] zijn aanzienlijk lager, zodat tijdens het minnelijk traject daarom naar verwachting uiteindelijk een hoger bedrag uitgekeerd kan worden dan tijdens de Wsnp.
De rechtbank plaatst hierbij evenwel de kanttekening dat een vergelijking tussen de situatie waarin verzoekers zullen worden toegelaten tot de Wsnp en de situatie waarin de aangeboden schuldregeling dwingend wordt opgelegd lastig te maken is, nu [verzoeker sub 1] bij toelating tot de Wsnp zijn ondernemersactiviteiten mogelijk zal moeten staken en de onderneming moet worden geliquideerd. Gezien de verdiensten van [verzoeker sub 1] per maand, zijn leeftijd, de afwezigheid van personeel en de omstandigheid dat door de budgetbeheerder van verzoekers in samenspraak met de boekhouder een financieel stabiele situatie is gecreëerd, acht de rechtbank het aannemelijk dat de rechter-commissaris [verzoeker sub 1] in een Wsnp-traject zal toestaan zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer te continueren. Om die reden heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat het inkomen van [verzoeker sub 1] in beide situaties gelijk zal zijn.
Maximaal haalbare?
Het voorstel van verzoekers is naar het oordeel van de rechtbank het maximaal haalbare. [verzoeker sub 1] is fulltime werkzaam en [verzoeker sub 2] is, ondanks dat zij volledig is afgekeurd, 20 uur per week werkzaam. Een mogelijke stijging van hun inkomen komt gedurende het minnelijk traject ten goede aan de schuldeisers. Het voorstel is daarmee het maximaal haalbare dat van verzoekers op financieel gebied kan worden verwacht. Mocht het inkomen van verzoekers en daarmee de afloscapaciteit veranderen, dan heeft dit zowel in een schuldsaneringsregeling als in het buitengerechtelijk traject invloed op het uitkeringspercentage aan de schuldeisers.
Verhouding tot overige schuldeisers
De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoekers overgelegde stukken blijkt dat een grote meerderheid van de schuldeisers (ruim 98 %) heeft verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord en dat het aandeel van de weigerende schuldeisers in de totale schuldenlast zeer gering is.
Conclusie
Omdat het aanbod van verzoekers goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, en de Wsnp de weigerende schuldeisers geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van ANWB en Pensioenfonds Detailhandel om akkoord te gaan, niet redelijk is. Zij hebben namelijk onvoldoende belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl verzoekers en de andere schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding daarvan.
Het Wsnp-verzoek is niet langer aan de orde
Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken.

De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Pensioenfonds Detail en ANWB in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel, en in het openbaar uitgesproken op
27 november 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.