Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:5828

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/5151
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 ParticipatiewetArt. 3 lid 4 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding

Verzoekster maakte bezwaar tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering per 11 november 2025, omdat het college meende dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-echtgenoot. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat de ex-echtgenoot zijn hoofdverblijf bij verzoekster had.

Het college baseerde haar besluit vooral op een huisbezoek, een controle van het perceel, een overeenkomst over verblijf en advertenties op Marktplaats. Verzoekster stelde dat haar ex-echtgenoot slechts incidenteel verbleef vanwege hun gezamenlijke kind en herstelwerkzaamheden elders, en dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

De voorzieningenrechter vond dat het college niet had voldaan aan de bewijslast en dat het huisbezoek onvoldoende was om het hoofdverblijf vast te stellen. Ook ontbrak een gesprek met verzoekster over de bevindingen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst en een voorschot op bijstand toegekend. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt geschorst wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5151

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden

(gemachtigden: J. Dales en P. Tuntelder )

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van het recht op uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 11 november 2025. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Overwegingen

Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten aanzien van de intrekking van de uitkering spoedeisend belang aannemelijk is.
Inhoudelijk oordeel
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4. Op 23 maart 2022 is verzoekster getrouwd met [naam 2] . Haar zoon is uit de relatie met [naam 2] geboren. Het huwelijk is ontbonden op 16 september 2024. Verzoekster staat sinds 23 mei 2022 met haar zoon ingeschreven op het adres [adres] . Verzoekster ontvangt met ingang van 28 mei 2025 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.
5. Op 8 oktober 2025 is er bij het team Handhaving Pw een interne melding binnengekomen. Volgens deze melding zou verzoekster zichzelf weer aanbieden als coach/begeleider van sessies. Tevens zou ze de locatie [adres] hiervoor gebruiken. Het college heeft naar aanleiding van deze melding een onderzoek opgestart naar het recht op uitkering. Op 11 november 2025 heeft er een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn door de toezichthouder neergelegd in het rapport vooronderzoek belanghebbende en betrokkene/vermoedelijke partner en het verslag huisbezoek van 11 november 2025. Op 12 november 2025 is op het adres van verzoekster een controle uitgevoerd door de toezichthouder van Bouw en Wonen en de toezichthouder Pw. Gesproken is met de koper van [adres] , de heer [naam 3] . Van dit bezoek is ook een rapport opgemaakt.
6. Verzoekster is bij brief van 11 november 205 uitgenodigd voor een gesprek op 17 november 2025 vanwege haar inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Deze afspraak heeft verzoekster afgezegd. Bij brief van 19 november 2025 is verzoekster opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 10 december 2025. Ook deze afspraak is door haar afgezegd.
7. Met het bestreden besluit van 19 november 2025 heeft het college het recht op uitkering ingetrokken met ingang van 11 november 2025. Verzoekster voertvanaf dat moment een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot [naam 2] . Verzoekster wordt aangemerkt als gehuwd omdat zij en haar ex-echtgenoot hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Uit hun relatie is op [geboortedatum] 2016 een kind geboren. Op grond van artikel 3, lid 4 van de Pw is er sprake van een gezamenlijke huishouding. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat verzoekster inkomsten heeft gehad uit arbeid als zelfstandige. Het college wil daarover in gesprek met verzoekster.
8. Verzoekster heeft in de kern aangevoerd dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, omdat [naam 2] niet zijn hoofdverblijf heeft in haar woning. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het huisbezoek onrechtmatig is geweest.
9. De te beoordelen periode loopt in dit geschil van 11 november 2025 (datum ingang intrekking) tot 19 november 2025 (datum bestreden besluit).
10. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd verklaard dat het onderzoek naar de inkomsten uit arbeid als zelfstandige nog loopt. Dat ligt dus niet aan de intrekking ten grondslag.
11. In geschil is of het college terecht is overgegaan tot intrekking en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. Omdat het bestreden besluit een belastend karakter heeft, is het aan het college om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding, in beginsel op het college rust.
12. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Op grond van artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
13. Wanneer komt vast te staan dat [naam 2] zijn hoofdverblijf op het woonadres van verzoekster heeft gehad gedurende de te beoordelen periode, is er sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw vanwege de geboorte van een kind uit de relatie van verzoekster met [naam 2] .
14. Het hoofdverblijf van een betrokkene is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college zijn conclusie dat verzoekster vanaf 11 november 2025 een gezamenlijke huishouding voert met [naam 2] in hoofdzaak is gebaseerd op het verslag van het huisbezoek van 11 november 2025, een rapport van Bouw en Toezicht betreffende een controle van het perceel op 12 november, een overeenkomst tussen [naam 2] en de economisch eigenaar van [adres] inzake onder meer het verblijf van [naam 2] op dat adres en de advertenties die [naam 2] op Marktplaats heeft geplaatst ten aanzien van onder meer een kas die op het perceel van [adres] staat.
16. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat [naam 2] wel af en toe bij haar verblijft vanwege het feit dat zij gezamenlijk een zoon hebben. Er is een slaapplek voor [naam 2] in het huis aanwezig, maar er is niet speciaal een kamer voor [naam 2] ingericht. Naast dat [naam 2] zijn zoon wil zien, is [naam 2] soms enige dagen op het adres [adres] in verband met herstelwerkzaamheden die hij ten behoeve van [naam 3] verricht. Dat [naam 2] bij haar verblijft, wil niet zeggen dat hij zijn hoofdverblijf bij haar heeft.
17. De voorlopige voorzieningenrechter constateert dat het college verzoekster niet heeft uitgenodigd voor een gesprek om haar te confronteren met de bevindingen van het huisbezoek en het - veronderstelde - hoofdverblijf van [naam 2] bij verzoekster.
Daarmee bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog veel onduidelijkheid over de vraag hoe vaak en hoelang [naam 2] bij verzoekster verbleef en over de vraag hoe vaak hij daar bleef slapen. Op grond van enkel het huisbezoek kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconstateerd dat [naam 2] op 11 november 2025 zijn hoofdverblijf had bij verzoekster. Hoewel er persoonlijke spullen van [naam 2] in de woning van verzoekster lagen, is dat onvoldoende om te concluderen dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt op het adres van verzoekster. Het feit dat er wat persoonlijke spullen van [naam 2] aanwezig zijn is ook wel verklaarbaar. [naam 2] heeft immers samen met verzoekster een kind dat bij verzoekster verblijft en het is daarom voorstelbaar dat [naam 2] daarom op het adres af en toe overnacht. Ook uit de omstandigheid dat [naam 2] het bijstandsadres van verzoekster heeft gebruikt om artikelen op Marktplaats te koop aan te bieden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter kal niet zonder meer worden afgeleid dat [naam 2] het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven naar het bijstandsadres heeft verplaatst. Verzoekster heeft in dat verband niet ten onrechte gesteld dat de betreffende artikelen, zoals een kas, van [naam 2] zijn en zich op het adres bevinden. Ook de schriftelijke bevestiging van de mondelinge overeenkomst tussen [naam 2] en [naam 3] kan niet tot de conclusie leiden dat [naam 2] zijn hoofdverblijf had bij verzoekster. Uit deze overeenkomst blijkt enkel dat [naam 2] beschikbaar moet zijn voor de duur van de bodemsanering en herstelwerkzaamheden, dat [naam 3] hem van een slaapplek voorziet op [adres] en dat zijn persoonlijke bezittingen daar mogen blijven staan. Aan de door [naam 3] afgelegde verklaringen ten overstaan van de toezichthouders van Bouw en Wonen en van de Participatiewet over het hoofdverblijf van [naam 2] in de woning van verzoekster op het uitkeringsadres komt ook niet die betekenis toe die het college daaraan toekent. Immers. [naam 3] heeft enkel verklaard dat [naam 2] soms in het pand verblijft en er soms slaapt.
Er is daarnaast geen sprake van waarnemingen, bankafschriften rond de periode in geding, noch van een buurtonderzoek of een onderzoek naar water- en energieverbruik.
18. Het voorgaande betekent dat het college niet op basis van de onderzoeksbevindingen had mogen concluderen dat [naam 2] vanaf 11 november 2025 zijn hoofdverblijf in de woning van verzoekster had. De vraag of het huisbezoek rechtmatig is geweest, kan daarom in het midden blijven.

Conclusie en gevolgen

19. Dit betekent dat het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar geen stand zal kunnen houden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 19 november 2025 wordt geschorst hangende de periode van het bezwaar.
Dit betekent dat aan verzoekster vanaf 1 december 2025 en hangende de periode van het bezwaar bij wijze van voorschot bijstand zal worden verstrekt naar de eerder aan haar toegekende norm, namelijk die van een alleenstaande ouder.
20. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
21. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 ,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bestaan tevens uit de reiskosten die verzoekster gemaakt heeft voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 18 december 2025. De voorzieningenrechter begroot deze kosten op in totaal € 26,20
(2 x € 13,10).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit hangende de periode van het bezwaar;
- bepaalt dat aan verzoekster met ingang van 1 december 2025 een voorschot wordt verstrekt naar de voor haar geldende norm gedurende de periode van het bezwaar;
- draagt het college op het betaalde griffierecht aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.840,20 (€ 1.814,- + € 26,20).
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.