ECLI:NL:RBNNE:2025:5722

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/18/25/341 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot wettelijke schuldsanering met toepassing van de hardheidsclausule

In deze zaak heeft verzoekster op 3 april 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsanering. De rechtbank heeft op 10 december 2025 uitspraak gedaan. Verzoekster heeft een aanzienlijke schuldenlast van ruim € 63.000,-, waarvan een groot deel is ontstaan in de jaren 2023 en 2024. De grootste schuld betreft een vordering van de gemeente Leeuwarden van € 49.461,82 uit 2009. Verzoekster heeft in de afgelopen periode te maken gehad met een verslavingsproblematiek en heeft een relatiebreuk ervaren. Ondanks dat een deel van haar schulden is ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoekster voldoende stappen heeft ondernomen om haar situatie te verbeteren. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster onder behandeling is bij een schuldhulpverlener en dat zij zich aan de afspraken houdt. De rechtbank heeft de hardheidsclausule toegepast en het verzoek tot schuldsanering toegewezen, met een looptijd van 18 maanden. De rechtbank heeft mr. S. van Gessel benoemd tot rechter-commissaris en de bewindvoerder belast met het openen van aan verzoekster gerichte correspondentie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/341 R

vonnis van 10 december 2025

in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster.

PROCESGANG

Verzoekster heeft op 3 april 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsanering.
De schuldhulpverlener heeft op 21 en op 28 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 3 december 2025. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , werkzaam bij de Kredietbank Nederland (hierna te noemen de schuldhulpverlener) en de heer [medewerker beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij [beschermingsbewindvoerder] V.O.F. (hierna te noemen de beschermingsbewindvoerder)

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoekster een schuldenlast heeft van ruim € 63.000,-. Een aantal schulden is ontstaan in 2023 en 2024 waaronder een vordering van het CJIB van € 1.156,07 en een fraudevordering bij de gemeente Leeuwarden. De grootste schuld betreft vordering van de gemeente Leeuwarden van € 49.461,82 uit 2009.
Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat er afgelopen half jaar veel is gebeurd. Haar relatie is geëindigd en ze heeft in detentie gezeten. Op dit moment staat er alleen nog een proeftijd open tot 20 december 2025. De straffen waren opgelegd in het kader van verkeersovertredingen onder invloed van drugs. Verzoekster is momenteel nog onder behandeling om van de drugs af te komen. Verzoekster krijgt een onderhoudsdosis en dit wordt afgebouwd. Ze houdt zich aan de afspraken en controles. Als haar situatie stabiel is, wil verzoekster graag weer aan het werk. Op dit moment is ze bezig met dagbesteding. Na detentie is verzoekster in een forensische opvang gaan wonen en ze heeft zicht op een eigen appartement per januari 2026 met behulp van ambulante begeleiding.
De meest recente schuld aan de gemeente Leeuwarden betreft een terugvordering van de uitkering. Deze is ontstaan doordat haar ex-partner zijn gokinkomsten niet aan de gemeente had doorgegeven. Verzoekster en partner ontvingen een gezamenlijke uitkering, waardoor de vordering ook op verzoekster wordt verhaald. Sinds januari 2023 is het beschermingsbewind ingesteld.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekster al een jaar onder behandeling staat en dat het allemaal goed gaat. Alle afspraken bij reclassering en VNN worden nagekomen. De beschermingsbewindvoerder is overal goed bij betrokken en het bewind loopt erg goed.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu een deel van de schulden zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft haar relatie beëindigd en is hard bezig om haar leven weer op de rit te krijgen. Er is in 2023 beschermingsbewind ingesteld. Verzoekster is al een jaar onder behandeling bij VNN en komt haar afspraken goed na. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat verzoekster zich volledig wil inzetten. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekster de kans moet worden gegund om te werken aan een schuldenvrije toekomst en zij zal het verzoek dan ook toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres]
;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brievenen telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.