ECLI:NL:RBNNE:2025:5665

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
18-065715-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding na vrijspraak in strafzaak met betrekking tot inverzekeringstelling en elektronische monitoring

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 14 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift tot schadevergoeding van een verzoeker die eerder was vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De verzoeker had een schadevergoeding aangevraagd wegens de ondergane inverzekeringstelling en de periode waarin hij onder elektronische monitoring stond. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een schadevergoeding voor de inverzekeringstelling, ondanks de vrijspraak. De rechtbank overweegt dat de nadelige gevolgen van de inverzekeringstelling voor rekening van de verzoeker dienen te komen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsbeperking door de elektronische monitoring niet zodanig was dat er sprake was van vrijheidsontneming, en heeft daarom ook dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft echter wel een vergoeding toegekend voor de reiskosten die de verzoeker heeft gemaakt na de schorsing van de voorlopige hechtenis, alsook voor de kosten van het indienen van het verzoekschrift. Uiteindelijk is er een totaalbedrag van 710,24 euro aan schadevergoeding toegekend, terwijl het overige verzoek is afgewezen. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-065715-23
raadkamernummers : 25-001133 en 25-001134
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Raadsman: mr. R.G. Knegt, advocaat te Leeuwarden.
Procesverloop
Verzoeker is op 31 oktober 2024 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Op 14 januari 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
  • schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van 390,00;
  • schade geleden als gevolg van het dragen van een enkelband voor de duur van 343 dagen tot een
bedrag van 17.150,00;
  • door verzoeker gemaakte reiskosten ter hoogte van 34,56;
  • de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,00, te
vermeerderen in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 29 april 2025 en de reactie daarop van de raadsman van 14 mei 2025.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 30 september 2025. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker en de officier van justitie
mr. R.B. Meinderts gehoord.
De officier van justitie heeft zich ter zitting in aanvulling op het schriftelijk standpunt op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 530 en 533 Sv maakt verzoeker derhalve aanspraak op vergoeding van ten gevolge van de strafzaak gemaakte kosten en ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling geleden schade, voor zover daarvoor ingevolge artikel 534, eerste lid, Sv gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Schade ten gevolge van de inverzekeringstelling
Hoewel verzoeker is vrijgesproken van hetgeen hem was ten laste gelegd, acht de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig voor de toekenning van een schadevergoeding. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Het billijkheidsoordeel ex artikel 534, eerste lid, Sv betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die verlangt dat de gronden voor een vrijspraak niet in twijfel worden getrokken en dat de rechtbank zich onthoudt van een zelfstandig oordeel dat zich niet met de vrijspraak verhoudt. Dit betekent dat de raadkamer in de motivering van haar oordeel niet zelfstandig suggesties tot uitdrukking mag brengen dat de verzoeker - ondanks de vrijspraak - wel degelijk schuldig is. Het staat de rechtbank wel
vrij in de beslissing mede (onderdelen van) de motivering van de vrijspraak te betrekken, zolang die beslissing daarmee niet alsnog een vaststelling van schuld behelst.
Het komt bij het billijkheidsoordeel aldus in overwegende mate aan op een waardering van de omstandigheden van het specifieke geval. Het is aan de rechtbank om het oordeel daaromtrent inzichtelijk te motiveren.
Uit het bevel tot inverzekeringstelling van 5 maart 2023 blijkt dat verzoeker in verzekering is gesteld wegens een verdenking van openlijke geweldpleging en poging tot doodslag. Hoewel verzoeker uiteindelijk is gedagvaard voor poging tot doodslag, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en een poging daartoe en daarvan is vrijgesproken, heeft de rechtbank in haar vonnis een overweging gewijd aan het, in haar woorden, verwerpelijke en onaanvaardbare handelen van verzoeker. De rechtbank heeft vastgesteld dat het slachtoffer door beveiligers is geslagen en geschopt en dat verzoeker vervolgens een harde trap tegen het bovenste deel van het lichaam van het slachtoffer heeft gegeven. Dat laatste heeft verdachte ook erkend. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat een andere tenlastelegging, bijvoorbeeld van mishandeling of openlijke geweldpleging, wellicht wel tot een veroordeling had kunnen leiden.
Gelet op de verdenking waarvoor verzoeker in verzekering is gesteld en hetgeen de rechtbank in haar vonnis heeft overwogen ten aanzien van de tenlastelegging en het gedrag van verzoeker, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen gronden voor billijkheid aanwezig voor de toekenning van een vergoeding wegens de ondergane inverzekeringstelling. De nadelige gevolgen van de inverzekeringstelling dienen voor verzoeker te worden gelaten. De rechtbank zal daarom het verzoek tot schadevergoeding op dit onderdeel afwijzen.
Schade ten gevolge van het dragen van een enkelband
Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding wegens het dragen van een enkelband heeft de verdediging gesteld dat gelet op de aard, de lange duur, de wijze van tenuitvoerlegging alsmede de mate waarin verzoeker autonoom kon functioneren er sprake was een zodanige inperking van verzoekers vrijheid dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat sprake was van huisarrest, dat verzoeker enkel het huis mocht verlaten om naar school, werk of een dagbesteding te gaan en dat hij als gevolg van de enkelband heeft moeten stoppen met voetballen. Daarnaast heeft hij zijn opleiding [opleiding] moet afbreken omdat hij door de enkelband geen stageplek kon vinden en kon hij als gevolg van de schorsingsvoorwaarden de uitvaart van zijn grootmoeder in het buitenland niet bijwonen.
De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verzoek als volgt.
Nu de inbewaringstelling niet zag op de verdenking van openlijke geweldpleging maar op zwaardere varianten van die verdenking waar verzoeker uiteindelijk van is vrijgesproken, zal de rechtbank een inhoudelijk oordeel vellen over dit onderdeel van het verzoek.
Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van artikel 533 Sv. Een en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In
dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot
schadevergoeding. Hierbij zijn, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal factoren van belang, zoals de duur, de wijze van tenuitvoerlegging, de mate waarin iemand autonoom kan functioneren.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker gedurende de periode van elektronische monitoring op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van twaalf uren niet thuis hoefde te zijn. Op weekenddagen ging dit om een aaneengesloten blok van acht uren en op dagen zonder opleiding, werk of behandeling om een aaneengesloten blok van twee uren. Uit het reclasseringsadvies van 27 februari 2024 en de toelichting van verzoeker in raadkamer blijkt dat verzoeker gedurende deze periode acht uur per week in de zonnestudio van zijn moeder werkte en vier dagen per week meerdere uren werkte voor de horecazaak van zijn oom. Aanvankelijk moest verzoeker voor 21.00 uur thuis zijn en later is dit verruimd naar 22.00 uur.
Hoewel sprake is geweest van vrijheidsbeperking is naar het oordeel van de rechtbank deze niet dusdanig geweest dat feitelijk moet worden gesproken van vrijheidsontneming. Er is sprake geweest van ruime tijdsblokken waarin verzoeker buitenshuis activiteiten kon ondernemen en die tijdsblokken zijn bovendien op een later moment verder verruimd. De door verzoeker genoemde beperkingen ten aanzien van de stageplek en de uitvaart van oma in Turkije zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, temeer nu op ieder moment een verzoek tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden had kunnen worden ingediend, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank zal daarom het verzoek tot schadevergoeding op dit onderdeel afwijzen.
Reiskosten
Verdachte is vrijgesproken van het feit dat ten grondslag lag aan het bevel tot inbewaringstelling en van de feiten op definitieve dagvaarding. De rechtbank acht het daarom billijk een vergoeding toe te kennen voor de reiskosten die door verzoeker zijn gemaakt na schorsing van de voorlopige hechtenis en ten behoeve van de behandeling van de strafzaak. Voor deze reiskosten komt een forfaitair bedrag van 0,28 per kilometer voor vergoeding in aanmerking. Daarom zal een bedrag van 30,24 (3*36km* 0,28) worden toegekend.
Kosten indienen en behandeling verzoekschrift
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief btw toekennen van 680,00.

Beslissing

De rechtbank:
  • kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 710,24;
  • wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. de Boer, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: 710,24 (zegge: zevenhonderdtien euro en vierentwintig eurocent), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [bedrijf] , onder vermelding van dossiernummer [nummer] .