ECLI:NL:RBNNE:2025:5609

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25-012798
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep op grond van artikel 39 WWETGC inzake erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgisch confiscatiebevel

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitspraak gedaan in een zaak waarin een beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). Het beroep was gericht tegen een beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel dat door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, België, was opgelegd. De veroordeelde had een bedrag van 58.500,00 euro te betalen, en het beroep was tijdig en correct ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling op 3 december 2025 was de veroordeelde niet aanwezig, maar had hij zijn standpunt schriftelijk aangevuld. De officier van justitie, mr. A.J. Kemkers, vertegenwoordigde het openbaar ministerie.

De rechtbank moest toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning had kunnen komen. De rechtbank oordeelde dat de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, zoals betalingsonmacht, niet onder de weigeringsgronden vallen. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij niet bevoegd is om te beslissen over de wijze van tenuitvoerlegging in Nederland, aangezien het CJIB een zelfstandig orgaan is waarover de rechtbank geen zeggenschap heeft. De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruik van de weigeringsgronden en dat het beroep ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-012798
cjib-nummer : 8072542300000461
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 17 december 2025 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
Op 14 mei 2025 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum Noord het beroepschrift van veroordeelde ontvangen en doorgezonden naar de rechtbank. Het beroep is ingesteld tegen de op 13 maart 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 4 januari 2018 door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 58.500,00.
Veroordeelde en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde heeft tevoren schriftelijk laten weten niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling en hij heeft zijn standpunt nog schriftelijk aangevuld. Veroordeelde is niet verschenen. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. A.J. Kemkers.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. Veroordeelde heeft gesteld dat:
  • tenuitvoerlegging disproportioneel is en zal leiden tot ernstige financiële ontwrichting;
  • hij geen binding met België heeft en er geen praktisch belang of noodzaak is om de beslissing via Nederlandse autoriteiten ten uitvoer te leggen;
  • het confiscatiebevel een vervolgstraf is na de strafrechtelijke afdoening waardoor het essentieel is dat de Nederlandse staat een proportionaliteitstoets toepast waarbij het EVRM vereist dat wordt gekeken naar draagkracht en individuele omstandigheden;
  • er sprake is van schending van artikel 11 van de Verordening 2018/1805 (onevenredige tenuitvoerlegging) en overtreding van de verplichtingen uit de artikelen 4:5, 4:93 en 4:94 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Veroordeelde heeft de rechtbank daarnaast verzocht te beslissen dat:
( a) er ruimte moet blijven voor herziening van de bij het CJIB lopende betalingsregeling; ( b) de huidige maandelijkse aflossing van 500,00 correct en aantoonbaar plaatsvindt;
( c) herbeoordeling of aanpassing van het aflossingsbedrag moet mogelijk blijven bij gewijzigde omstandigheden.
7. Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat de gestelde gronden niet kunnen leiden tot de beslissing dat de officier van justitie niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om het confiscatiebevel te erkennen.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Zoals hierboven onder 4.I. weergegeven, moet de rechtbank toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen. De wetgever heeft in artikel 36 van de WWETGC bepaald dat de officier van justitie de erkenning alleen kan weigeren op één van de gronden bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 2018/1805. De persoonlijke
omstandigheden van veroordeelde en de op dit moment bestaande (eventuele) betalingsonmacht, vallen niet onder één van deze gronden en maken niet dat de officier van justitie de in België gegeven beslissing tot confiscatie niet zou kunnen erkennen en tenuitvoerleggen. Ditzelfde geldt voor het wel of geen binding hebben met België, het wel of niet (moeten) uitvoeren van een proportionaliteitstoets en het wel of niet voldoen aan verplichtingen voortvloeiend uit de Awb of jurisprudentie. De rechtbank verwerpt op deze gronden de gevoerde verweren.
10. De hierboven onder 6. weergegeven verzoeken van veroordeelde zien op (de wijze van) de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel in Nederland. De rechtbank is niet bevoegd om daarover een beslissing te geven nu deze beroepsprocedure daarvoor geen wettelijke grondslag biedt. Daarnaast geldt in algemene zin dat het CJIB een zelfstandig orgaan is waar de rechtbank geen zeggenschap over heeft.
10. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is op 17 december 2025 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.