ECLI:NL:RBNNE:2025:5607

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25-005761
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep op erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische beslissing tot confiscatie

Op 4 maart 2025 heeft de veroordeelde beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie van 28 januari 2025, die de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing van 31 mei 2017 betrof. De confiscatie betrof een bedrag van 100.000 euro, waarvan nog 99.600 euro ten uitvoer gelegd moest worden. De mondelinge behandeling vond plaats op 10 september en 3 december 2025, waarbij de veroordeelde werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, en het openbaar ministerie vertegenwoordigd was door officier van justitie mr. A.J. Kemkers.

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is bevoegd om het beroep te behandelen. Het beroep is tijdig en correct ingesteld. De toetsing vindt plaats op basis van de Verordening (EU) 2018/1805 en artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC). De rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, zonder in het buitenlandse rechtsgeding te treden.

De raadsman heeft aangevoerd dat het certificaat onvolledig of manifest onjuist is, omdat het vermeldt dat de veroordeelde in Nederland woont en geen Belgische belangen heeft. De officier van justitie heeft echter aangetoond dat er een afbetalingsregeling van 50 euro per maand is toegekend, wat de eerdere informatie corrigeert. De rechtbank concludeert dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van de weigeringsgronden en verklaart het beroep ongegrond. De beslissing is op 17 december 2025 genomen door de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-005761
cjib-nummer : 6072542300000446
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

Procesverloop

Op 4 maart 2025 is beroep ingesteld tegen de op 28 januari 2025 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 31 mei 2017 door de Rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 100.000,00, waarvan nog
een bedrag van 99.600,00 ten uitvoer gelegd zou moeten worden.
De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft op 10 september 2025 en 3 december 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde is bij laatstgenoemde zitting verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. Nieuwburg. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. A.J. Kemkers.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De raadsman heeft een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 19, eerste lid onder c, van de Verordening 2018/1805. In het certificaat is onder C.4. vermeld dat betrokkene woonachtig is in Nederland en geen Belgische belangen heeft waardoor invordering in België bijgevolg niet mogelijk is. Deze informatie staat haaks op de betalingsfaciliteiten die aan veroordeelde zijn toegekend, namelijk het betalen van 50 euro per maand om zijn straf aan te zuiveren. Het certificaat is daarmee onvolledig dan wel manifest onjuist aldus de raadsman.
6. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Belgische autoriteit op de dag dat het certificaat naar Nederland is verzonden, per e-mail doorgegeven heeft dat aan veroordeelde een afbetalingsregeling van 50,00 per maand is toegekend. Daarmee is de mededeling onder C.4. hersteld in de visie van de officier van justitie.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De rechtbank constateert dat bij de stukken een afschrift is gevoegd van het door de officier van justitie genoemde e-mailbericht. In dit bericht wordt vermeld dat in België aan veroordeelde betalings-faciliteiten zijn toegekend en dat hij maandelijks 50,00 euro betaalt om zijn straf aan te zuiveren. De rechtbank is van oordeel dat door deze informatie de door de raadsman genoemde kennelijke misslag
in het certificaat, verbeterd kan worden gelezen zodat er niet (meer) gesproken kan worden van een onvolledig dan wel manifest onjuist ingevuld certificaat. De rechtbank verwerpt dit verweer.
9. De raadsman heeft bij de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het CJIB een bedrag van 860,00 per maand wenst te ontvangen en dat veroordeelde dit onmogelijk kan betalen. De raadsman heeft hierbij aangegeven dat hij niet heeft willen betogen dat dit een weigeringsgrond oplevert. De rechtbank zal hier dan ook niet op ingaan.
10. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is op 17 december 2025 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.