ECLI:NL:RBNNE:2025:5606

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
25-018773
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van Belgische confiscatiebeslissing

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitspraak gedaan in een zaak betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische confiscatiebeslissing. De veroordeelde, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. E.H.E.A. van Gestel, had beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie om een eerder door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg opgelegde confiscatie van 40.000 euro ten uitvoer te leggen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep tijdig en juist was ingesteld en dat zij bevoegd was om de zaak te behandelen.

De rechtbank heeft de argumenten van de verdediging beoordeeld, waaronder de stelling dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot zijn beslissing had kunnen komen. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een schending van het recht op een eerlijke rechtsgang en dat de erkenning van de Belgische beslissing in strijd was met de goede procesorde. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van een schending van de rechtsorde en dat de officier van justitie in redelijkheid had kunnen besluiten tot erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische beslissing.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, waarbij zij benadrukte dat de beslissing van de Belgische autoriteiten niet ter discussie kon worden gesteld en dat de veroordeelde geen beroep had ingesteld tegen de oorspronkelijke beslissing. De rechtbank concludeerde dat de tijdsduur tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging niet in strijd was met de goede procesorde, en dat de veroordeelde niet gerechtvaardigd kon vertrouwen op een niet-uitvoering van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer : 25-018773
cjib-nummer : 1072542300000436
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 17 december 2025 op het beroep op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsvrouw mr. E.H.E.A. van Gestel, advocaat te Roermond.
Procesverloop
Op 18 augustus 2025 is beroep ingesteld tegen de op 7 maart 2024 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 26 juni 2020 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg - Afdeling Hasselt, België, opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van 40.000,00, waarvan nog een bedrag van 37.710,00 ten uitvoer gelegd zou moeten worden.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft op 3 december 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. Van Gestel. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. A.J. Kemkers.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De verdediging heeft primair gesteld dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot zijn beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. Deze stelling is niet nader onderbouwd met argumenten en behoeft daarmee geen bespreking.
6. De verdediging heeft subsidiair gesteld dat er sprake is van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 19, eerste lid aanhef en onder h van de Verordening 2018/1805, omdat er sprake is van een manifeste schending van artikel 47 van het Handvest van de Europese Unie en van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het recht op behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden omdat de Nederlandse autoriteiten pas na meer dan vijf jaar zijn overgegaan tot het innen van het opgelegde bedrag. Veroordeelde heeft gedurende die periode geen enkele berichtgeving ontvangen. Hierdoor is bij veroordeelde het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat de beslissing niet aan Nederland zou worden overgedragen. De erkenning van de Belgische beslissing zou in deze omstandigheden in strijd zijn met een goede procesorde en rechtsorde en diende daarom te worden
geweigerd. Daarnaast is gesteld dat veroordeelde door een conversiestoornis indertijd lichamelijk en geestelijk niet in staat was om beroep aan te tekenen tegen de in België genomen beslissing.
Veroordeelde heeft daarnaast aangegeven dat zij van haar Belgische advocaat te horen had gekregen dat hoger beroep niets uit zou maken en dat zij de eerste Nederlander zou zijn die het opgelegde bedrag ook feitelijk zou moeten betalen. Hierdoor zou veroordeelde geen effectieve verdediging hebben kunnen voeren. Veroordeelde blijft bovendien van mening dat zij onschuldig is.
7. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de door de verdediging gegeven argumenten niet kunnen leiden tot mogelijke toepassing van enige facultatieve weigeringsgrond.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Er is in de onderhavige zaak geen sprake van een vervolging van veroordeelde maar van de tenuitvoerlegging van een tegen veroordeelde gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden vonnis.
Uit het recht volgt niet dat overschrijding van een bepaald tijdverloop
tussen het onherroepelijk worden van het vonnis en de tenuitvoerlegging daarvan - binnen de wettelijke executietermijn - in strijd is met een goede procesorde of rechtsorde. Het openbaar ministerie heeft daarnaast aangegeven dat de Belgische autoriteit in juni 2023 nog een betalingsherinnering heeft gestuurd naar het Nederlandse woonadres van veroordeelde.
Ten overvloede geldt dat uit het recht niet voortvloeit dat uit het enkele verstrijken van tijd een gerechtvaardigd vertrouwen voortvloeit dat de bevoegde autoriteit ook in de toekomst niets zal doen.
10. De rechtbank mag bij haar beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen. Dat veroordeelde geen beroep heeft ingesteld tegen de gewezen beslissing is daarmee een gegeven dat verder niet door de rechtbank getoetst kan worden. Hetzelfde geldt voor de stelling van veroordeelde dat zij het feit niet heeft gepleegd.
11. Een mededeling van een Belgische advocaat over de kans dat de beslissing daadwerkelijk tenuitvoergelegd zal worden, wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen op. Het is immers niet de advocaat die beslist of de bevoegde autoriteit wel of niet gebruik zal maken van de bij de wet geregelde mogelijkheden om de beslissing ten uitvoer te leggen.
12. De rechtbank verwerpt de gevoerde verweren.
13. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruikmaken van een van de weigeringsgronden van artikel 19 van Verordening 2018/1805 en dat hij in redelijkheid tot de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is op 17 december 2025 gegeven door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. W.S. Sikkema en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.