In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van twee inbraken. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de inbraak bij een vereniging, omdat het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario over zijn aanwezigheid nabij de pleeglocatie niet ongeloofwaardig was en er onvoldoende bewijs was om zijn betrokkenheid te bevestigen. De rechtbank oordeelde dat het DNA van de verdachte, dat op de dag van de inbraak was aangetroffen op de binnenzijde van een opengebroken gokautomaat in een café, voldoende bewijs bood voor de tweede inbraak. De rechtbank legde de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de duur van twee jaren, gezien zijn recidive en de ernst van de feiten. De rechtbank heeft ook beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, waarbij de vordering van de vereniging niet-ontvankelijk werd verklaard, maar de vordering van het café werd toegewezen tot een bedrag van 5.329,12 euro, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden van een eerdere voorwaardelijke veroordeling opgeheven, gezien de oplegging van de ISD-maatregel.