In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot het instellen van een moratorium op basis van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker, geboren in 1959, had op 21 oktober 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelijktijdig met het verzoek om een moratorium. De rechtbank had eerder een tussenvonnis gewezen en de zaak verwezen naar een zitting op 3 december 2025. Tijdens deze zitting waren de verhuurder, een verhuurmakelaar, een schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder aanwezig. De verhuurder had aangegeven dat de huurtermijnen over november en december 2025 niet waren voldaan en dat er geen contact met verzoeker was. De rechtbank overwoog dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden van het tussenvonnis en dat er onvoldoende bewijs was van een stabiele financiële situatie. De rechtbank concludeerde dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen zwaarder woog dan het belang van verzoeker om een minnelijke regeling te treffen met zijn schuldeisers. De rechtbank wees het verzoek om moratorium af, met de verplichting voor verzoeker om binnen twee weken aan te geven of hij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft.