Verzoeker heeft op 21 oktober 2025 een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium op grond van artikel 287b Faillissementswet, parallel aan een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank stelde bij tussenvonnis voorwaarden waaronder het moratorium tijdelijk werd toegestaan.
Tijdens de zitting van 3 december 2025 bleek dat verzoeker niet had voldaan aan de voorwaarden, met name het niet betalen van de huur over november en december 2025. Daarnaast was het minnelijk traject nog niet opgestart, het dossier incompleet en de financiële situatie van verzoeker instabiel. De verhuurder had geen vertrouwen meer in verzoeker vanwege het uitblijven van communicatie en oplossingen.
De rechtbank overwoog dat een moratorium bedoeld is om een adempauze te bieden zodat de schuldenaar een minnelijke schuldregeling kan treffen. Nu verzoeker geen voortgang had geboekt in dit traject en niet aan de voorwaarden had voldaan, was het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen zwaarder dan het belang van verzoeker.
Het uitstelverzoek van verzoeker wegens ziekenhuisopname werd afgewezen omdat de gemachtigde wel aanwezig kon zijn. De rechtbank besloot het verzoek tot moratorium af te wijzen en gaf verzoeker twee weken om aan te geven of het verzoek tot schuldsaneringsregeling gehandhaafd blijft, bij uitblijven daarvan wordt het verzoek als ingetrokken beschouwd.