ECLI:NL:RBNNE:2025:5452

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
18.344861.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontucht gepleegd door hulpverlener in de maatschappelijke zorg met een cliënt

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een 25-jarige, licht verstandelijk beperkte vrouw. De verdachte, werkzaam als PGB-begeleider, heeft meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer, die zich als cliënt aan zijn zorg had toevertrouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de integriteit van het slachtoffer ernstig heeft geschonden door misbruik te maken van het vertrouwen dat zij in hem had. De rechtbank heeft de verklaringen van het slachtoffer als betrouwbaar beoordeeld, ondersteund door bewijs uit WhatsApp-berichten waarin de verdachte zijn handelingen erkent. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod met het slachtoffer en een gebiedsverbod voor de gemeente waar het slachtoffer woont. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank een bedrag van 7.500 euro heeft vastgesteld voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.344861.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum ] 1958 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 februari 2024 tot en met 25 mei 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door ontuchtige handelingen te plegen, te weten:
  • Het aanraken en/of strelen van de vagina van [slachtoffer] , en/of
  • Het aanraken van de borsten van [slachtoffer] , en/of
  • Het geven van kusjes en/of zuigzoenen in de nek van [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit. Zij acht het feit -kort gezegd- te bewijzen op grond van de verklaring van [slachtoffer] (verder: aangeefster), die onder meer wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] over de gemoedstoestand die zij bij aangeefster waarnamen toen aangeefster hen over het handelen van verdachte vertelde. Ook wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het WhatsApp-gesprek met verdachte dat op de telefoon van aangeefster is aangetroffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe samengevat aangevoerd dat steunbewijs voor de aangifte ontbreekt. De verklaring van aangeefster en de door de officier van justitie genoemde getuigenverklaringen zijn afkomstig van één en dezelfde bron, te weten van aangeefster. Het WhatsApp-gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen verdachte en, naar later bleek getuige [getuige 2] , terwijl verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij met aangeefster aan het appen was, kan niet als steunbewijs dienen omdat het gesprek is opgezet om verdachte een bekentenis te ontlokken (zie bijvoorbeeld pagina 136). Van objectief steunbewijs is daarmee geen sprake.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juni 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024136919, d.d. 15 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [aangever] :
Zij doet aangifte namens [slachtoffer] van "seksueel misbruik" tegen [verdachte] . (p. 33) V: Hoe vaak is [verdachte] in totaal bij [slachtoffer] geweest?
A: Vanaf januari 2024 op de woensdag en de vrijdag tot 22 mei, een woensdag.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van uitwerking studioverhoor d.d. 8 juli 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Tussen woensdag 12 juni 2024 om 09:30 uur en woensdag 12 juni 2024 om 12:00 uur werd in de kindvriendelijke studio op de locatie Groningen, [adres] gehoord, [slachtoffer] .
V: Wat kom jij mij vertellen vandaag?
A: Over [verdachte] wat ie gedaan heeft. V: Wat herinner je nog?
A: Dat ie met de hand in mijn BH ging zo ( [slachtoffer] doet haar rechterhand naar haar linkerborst) Toen zei ik van toen deed ik zo (wegdrukkende beweging) Toen zei die van, ja, hij zit vast. Hij kan niet los. En toen zei hij van je lichaam wil wel, maar je koppie niet. En hij wou mij leren klaarkomen
A: En toen lagen we op bed en heeft ie zijn hand eerst kussen op mijn onderbil en dan ging ie langzaam met mijn hand in mijn broek bij mijn geslachtsdeel.En toen moest ik huilen. Toen zei die, ja, je wou het zelf terwijl ik het niet zelf wou. En hij zei van je komt steeds losser en dat is goed.
(p. 64) V: En zijn er nog meer dingen die je mij wil vertellen.
A: Ja dat ie een zuigzoen deed
([slachtoffer] veegt haar uit haar nek).
(p. 66) V: En je had gezegd dat ie met zijn hand in jouw broek zat bij jouw geslachtsdeel. Is dat 1 keer of vaker geweest?
A: 2 keer.
V: En die zuigzoenen? Is dat 1 keer of vaker geweest? A: Vaker.
(p. 70 V: En als hij jou aanraakt. Was dat over jouw BH heen, onder jouw BH, of A: Onder.
V: En die hand, als die op jouw borst was, bewoog die of was ie stil? A: Bewoog.
A: Zo en dan rondjes
V: En dan zit ie met 1 hand dus aan jouw borst onder jouw BH. Waar is die andere hand van hem? A: In mijn broek.
V: In jouw broek.
V: En hoe zat het met je onderbroek? A: Ging ie ook gewoon in hoor.
(p. 71) V: En wat raakte die toen aan? A: De vagina.
A: Hij wou mij leren klaarkomen. A: Dat zei die.
(p. 73) V: Wat deed hij dan met je geslachtsdeel? Of bij jouw geslachtsdeel. A: Strelen.
V: Waarmee zit hij dan precies aan jouw geslachtsdeel? A: Met zijn vingers,
V: En wat doen die vingers dan? A: Heen en weer.
V: Heen en weer. En waar dan precies? Heen en weer? A: Ja, onder. Bij mijn gat.
V: Welk gat?
A: Plas gat.
A: Volgens mij was het vagina gewoon.
V: En wat deed ie precies bij dat vaginagat. A: Ook heen en weer.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2024, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 11 juni 2024 heb ik onderzoek gedaan in de veilig gestelde gegevens van de telefoon welke onder [slachtoffer] in beslag was genomen. Ik heb hierbij gekeken naar de gesprekken welke waren
gevoerd tussen [slachtoffer] en [verdachte] .
Ik zag dat de screenshots van het gesprek begon om 07.26 uur, ik kon niet zien op welke datum dit gesprek was.
[verdachte] : Kunnen we er samen over praten? Vanmiddag nadat ik met mama heb gepraat? Alsjeblieft?
[slachtoffer] : Weet ik niet. Jij hebt mij pijn gedaan Jij hebt in mijn broekje gezeten
Je hebt aan mijn borstel (de rechtbank begrijpt: borsten) gezeten
[verdachte] : dat weet ik
Dat in jouw broek was ook vaak met toestemming van jouw. Ik moest jouw buikpijn weg halen
Das dat was fout van mij Had ik niet mieten doen sorry
Ik wou het ook niet doen
[slachtoffer] : Jij bent begeleider
[verdachte] : Gingbvaakbook door spel van ons N: Ik en kwetsbaar
[verdachte] : En ja ik had het moeten stoppen
Klopt
[slachtoffer] : Je het misbruik gemaakt van mij [verdachte] : Daarom wilde ik het al laatste tijd niet.
Heb ik ook gezegd
[slachtoffer] : Waarom ging jij dan door Jij werd boos als ik niet wilde
knuffelen ofif kusjes in je nek geven
[verdachte] : Goed... kunnen we samen opnieuw beginnen? [slachtoffer] : Je achuuft schuld op mij
[verdachte] : Dan zonder knuffelen?
Ik had moeten stoppen klopt
Had niet moeten gebeuren Ik geef jouw niet de schuld Je was er wel bij
Dus om alles de schuld bij mij neer te leggen vindt ik niet leuk
[slachtoffer] : Ja, maar jij bet begeleider en mag dit niet met mij doen [verdachte] : Daarom kunnen we samen praten
Houd je nog van mij?
Je wilde mij niet kwijt
Ik geef heel veel om jouw En ik was fout
Nieuwe start?
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een Zorgovereenkomst van opdracht d.d. 19 januari 2024, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een zorgcontract met een geldigheid vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024, tussen de deelnemers, [slachtoffer] (budgethouder) en [verdachte] (zorgverlener).
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het slachtoffer en de verdachte. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen ontkent, zoals in dit geval, zal beoordeeld moeten worden of de verklaring van het slachtoffer steun vindt in ander bewijs dat niet alleen van dezelfde bron afkomstig is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet namelijk ook in zedenzaken voor een bewezenverklaring zijn voldaan aan het zogeheten bewijsminimum. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde opleveren.
Betrouwbaarheid aangifte
De rechtbank overweegt dat zij de verklaring van aangeefster, zoals afgelegd in de kindvriendelijke studio betrouwbaar acht. De aangifte is gedetailleerd en consistent. Uit de beschrijving van de audiovisuele opname1 die op 24 mei 2024 is gemaakt in de woning van [getuige 1] en [getuige 2] , van het gesprek dat deze twee getuigen met [slachtoffer] hebben gevoerd, leidt de rechtbank af dat aangeefster zich geen woorden in de mond heeft laten leggen en dat zij haar aantijgingen jegens verdachte niet overdrijft op onderdelen waar dat mogelijk zou zijn. Zo antwoordt aangeefster bij herhaling ontkennend op vragen van deze getuigen of ze seks met verdachte heeft gehad. Waarbij met seks wordt bedoeld het seksueel binnendringen met de penis van verdachte in de vagina van aangeefster. Aangeefster bevestigt in dit gesprek alleen de seksuele handelingen waarover zij ook in het studioverhoor heeft verklaard.
Steunbewijs
In de telefoon van aangeefster is een WhatsApp-gesprek aangetroffen met verdachte.
Uit voornoemde audiovisuele opname blijkt dat verdachte, terwijl hij dacht dat hij met aangeefster appte, het gesprek in werkelijkheid voerde met getuige [getuige 2] . Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit WhatsApp-gesprek als steunbewijs voor de aangifte kan dienen. De omstandigheid dat verdachte niet wist dat hij met iemand anders dan aangeefster chatte, doet aan de inhoud van zijn berichten niet af.
Verdachte heeft in deze chat erkend dat hij bij aangeefster in haar broek en aan haar borsten heeft gezeten en dat hij haar kusjes in haar nek heeft gegeven.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn woorden in dit gesprek niet zo letterlijk gelezen moeten en dat hij deze handelingen niet op deze wijze bij aangeefster heeft verricht. Terwijl verdachte met [naam] oefeningen bezig was ter verlichting van de buikpijnklachten van aangeefster, zou aangeefster zijn hand hebben vastgepakt en naar haar broek hebben gebracht, aldus verdachte.
De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. De woorden van verdachte in deze chat kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte deze handelingen bij aangeefster heeft uitgevoerd. Tevens wijzen zij ondubbelzinnig op het uitvoeren van de handeling zonder dat verdachte daarin door aangeefster is gestuurd.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande alle ten laste gelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank merkt deze handelingen onder de gegeven omstandigheden aan als ontuchtig. Voor zover de ten laste gelegde alleen op de verklaring van aangeefster berusten en niet worden ondersteund door voornoemd WhatsApp-gesprek overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring niet vereist is dat er ten aanzien van alle onderdelen twee bewijsmiddelen zijn.
Hulpverlener in de zin van artikel 249, tweede lid, sub 3, Sr (oud)
Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte handelde als hulpverlener in de maatschappelijk zorg, zoals bedoeld in artikel 249, lid 2, sub 3 Sr (oud). De rechtbank verwijst hiertoe naar het onder bewijsmiddel 4 opgenomen zorgcontract, waaruit blijkt dat verdachte als PGB-begeleider voor het slachtoffer werkzaam was.
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 februari 2024 tot en met 25 mei 2024 te [plaats] , terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als cliënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, door ontuchtige handelingen te plegen, te weten:
  • het aanraken en strelen van de vagina van [slachtoffer] , en
  • het aanraken van de borsten van [slachtoffer] , en
  • het geven van kusjes en zuigzoenen in de nek van [slachtoffer] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
ontucht plegen als hulpverlener in de maatschappelijke zorg met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast dienen aan verdachte een contactverbod ten aanzien van aangeefster en een gebiedsverbod voor de gemeente [plaats] te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft onder verwijzing naar jurisprudentie verzocht om oplegging van een mildere straf dan door de officier van justitie is geëist. In de door de raadsman aangehaalde uitspraak werd voor een soortgelijk feit volstaan met een werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van Reclassering Nederland van 19 maart 2025 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een 25-jarige, licht verstandelijk beperkte vrouw, zoals bewezenverklaard.
Verdachte diende het slachtoffer als PGB-begeleider bijles te geven in taal en rekenen en hij diende haar te coachen naar het verkrijgen van meer zelfvertrouwen en naar meer zelfstandigheid en assertiviteit.
Verdachte was tevens de voetbaltrainer van het slachtoffer dat enorm tegen hem opkeek en in hem een vaderfiguur zag. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op haar de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. Hij heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem had en van het psychische overwicht dat hij op haar had.
De ervaring leert dat seksueel misbruik kan leiden tot langdurige psychische schade. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgelezen blijkt dat het slachtoffer zich gehersenspoeld en misbruikt heeft gevoeld door verdachte, die haar een mietje noemde als zij bepaalde handeling niet wilde ondergaan.
Verdachte heeft zich daarbij enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeftes en zich niet bekommerd om het welzijn van het slachtoffer, van wie hij wist dat zij al eerder te maken had gehad met seksueel misbruik.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het meermalen gepleegde feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.
Verdachte heeft zijn ontkennende houding tot op de zitting volgehouden en heeft de schuld van de situatie waarin hij zich nu als verdachte bevindt op anderen afgeschoven. Hoewel dit een aan hem toekomend recht is, stelt de rechtbank vast dat verdachte kennelijk niet in staat is tot het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn eigen kwalijke handelen in deze.
In het rapport van de reclassering wordt het recidiverisico gelet op de wat hoge leeftijd van verdachte en zijn blanco strafblad in beginsel als laag ingeschat. Vanuit professioneel oordeel kan geen inschatting worden gemaakt omdat verdachte de feiten ontkent. De reclassering adviseert bij een veroordeling oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel zal de rechtbank een contact- en locatieverbod koppelen zoals in het dictum nader uitgewerkt.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Daarnaast wordt bij wijze van schadevergoeding in natura verzocht om aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen in die zin dat verdachte zich binnen 2 jaar na het in deze te wijzen vonnis niet in de gemeente [plaats] mag begeven, zo ook dat verdachte wordt verboden om op enigerlei wijze, direct of indirect, contact te zoeken met aangeefster één en ander onder verbeurte aan aangeefster van een dwangsom van 1.000,00 per overtreding, met een maximum van 20.000,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het opleggen van een contact- en locatieverbod dient in deze achterwege te blijven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring omdat verdachte moet worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het schadebedrag moet worden gematigd tot maximaal 1.500,00. De raadsman heeft zich daarbij gebaseerd op de Rotterdamse Schaal waarin deze zaak kan worden geplaatst in de categorie “tamelijk ernstig”.
Het opleggen van een contact- en locatieverbod dient in deze achterwege te blijven.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.
Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het slachtoffer sinds het feit kampt met klachten passend bij een post-traumatische stressstoornis van complexe en interpersoonlijke-seksuele aard, categorie ernstig.
De rechtbank acht ter compensatie van deze geleden immateriële schade, een bedrag
van 7,500,00 redelijk en zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025.
De rechtbank zal de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank ziet geen reden om aan verdachte een contact- en locatieverbod bij wijze van schadevergoeding in natura op te leggen, nu deze verboden al in het kader van de strafafdoening worden opgelegd.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met: het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum ] 1999 te [geboorteplaats] ;
  • dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de gemeente [plaats] .
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.500,00 (zegge: zevenduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 72 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Thijsen, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025.
1. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2024, pagina 107 e.v..