ECLI:NL:RBNNE:2025:5433

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/18/249894/ KG RK 25-337
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking rechter afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. R. Giltay, rechter in de rechtbank Noord-Nederland, naar aanleiding van een tussenbeschikking waarin de rechter de tegenpartij de mogelijkheid gaf om aanvullende stukken in te dienen. Verzoeker vond dit onredelijk en stelde dat de rechter partijdig zou zijn.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek en oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot het aannemen van partijdigheid. De beslissing van de rechter om de tegenpartij extra gelegenheid te geven stukken te overleggen werd gezien als een normale procedurele beslissing binnen zijn regie over de zaak.

De wrakingskamer stelde vast dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond was omdat de motivering van de rechter niet anders kan worden uitgelegd dan als een onpartijdige behandeling. Wraking kan niet worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen een tussenbeslissing.

De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de zaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/249894/ KG RK 25-337
Beslissing van 24 november 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. R. Giltay,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 november 2025;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 19 november 2025.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de behandeling van de zaak
[zaaknummer] .
2.2
Verzoeker heeft blijkens zijn schriftelijke verzoek het volgende aan het verzoek
ten grondslag gelegd. Op 3 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op 5 november 2025 heeft de rechter een (tussen)beschikking gewezen. In deze (tussen)beschikking heeft de rechter in eerste instantie overwogen dat de wet bepaalt dat de partij die zich beroept op enig stuk verplicht is dat stuk bij te voegen zonder
dat de kantonrechter erom moet vragen. In de volgende overweging heeft de rechter de tegenpartij in de gelegenheid gesteld om (nadere) stukken te overleggen. Verzoeker stelt dat de tegenpartij deze stukken op een eerder moment had kunnen indienen, maar dat zij daar geen gebruik van heeft gemaakt. Het gaat, aldus verzoeker, te ver dat de rechter de tegenpartij nogmaals de kans geeft om het bewijs in geding te brengen.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd.

3.De beoordeling

3.1
Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek en daarom laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.2
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.3
Zoals hiervoor al aangegeven wordt bij de beoordeling van het wrakingsverzoek tot uitgangspunt genomen dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten de handelwijze van de rechter niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
3.4
De rechter heeft ter toelichting op zijn handelen – onder meer en samengevat – aangevoerd dat hij de werkgever bij de tussenbeschikking van 5 november 2025 in de gelegenheid heeft gesteld om gegevens over te leggen betreffende het aantal uren dat de werknemer volgens hem teveel had opgegeven om zo tot een voldoende zorgvuldige beslissing te kunnen komen waarbij alle relevante feiten en omstandigheden gewogen zouden kunnen worden.
3.5
Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet komen vast te staan dat de (hoge) drempel voor het aannemen van partijdigheid is gehaald. Bij zijn beoordeling betrekt de wrakingskamer dat de rechter regie voert over de zaken die aan hem worden voorgelegd. Hierbij heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij de bepaling van de wijze van behandelen. De beslissing om de tegenpartij in de gelegenheid te stellen om documenten in te dienen is naar het oordeel van de wrakingskamer een procedurele beslissing, namelijk een beslissing over de wijze van behandeling respectievelijk het verloop van de procedure en de zitting. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing [1] . Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Verder moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dit laatste is naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden.
3.6
Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
  • verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
  • bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
  • beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
  • verzoeker;
  • de rechter en
  • de belanghebbende.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. S. Zwarts, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
de griffier de voorzitter
(buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:HR:2018:1413.