ECLI:NL:RBNNE:2025:5379

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/1923
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning voor 26 appartementen wegens motiveringsgebrek

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Groningen vanwege het weigeren van een omgevingsvergunning voor de bouw van twee woongebouwen met 26 appartementen aan de Van Heemskerckstraat. Het college had aanvankelijk een vergunning verleend, maar deze later herroepen en geweigerd op grond van strijdigheid met het bestemmingsplan en ruimtelijke ordening.

De rechtbank oordeelt dat het college het besluit om niet af te wijken van de planregel over een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college ging ten onrechte uit van het ontbreken van niet-gemeenschappelijke buitenruimten, terwijl het bouwplan juist eigen buitenruimten voorziet. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de verkeerssituatie bij de toegangspoort tot de percelen een reden is om de vergunning te weigeren.

Het beroep tegen het besluit waarbij de vergunning werd herroepen blijft ongegrond. Het beroep tegen het tweede besluit is gegrond en dit besluit wordt vernietigd. Het college wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eisers krijgen vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het bestreden besluit 2 wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek; het college moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/2875 en LEE 25/1923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eisers], uit Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. J.D. Poot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, hierna te noemen het college
(gemachtigden: mr. L. Mathey en R. van Houdt).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

[derde belanghebbende 1],
[derde belanghebbende 2],
[derde belanghebbende 3],
[derde belanghebbende 4],
[derde belanghebbende 5],
[derde belanghebbende 6](gemachtigde: mr. N.F. van der Meer),
[derde belanghebbende 7]en
[derde belanghebbende 7],
allen uit Groningen (derde-partijen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee beroepen van eisers. Die richten zich tegen het weigeren van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van twee gebouwen voor 26 appartementen aan de Van Heemskerckstraat in Groningen. In de bestreden besluiten heeft het college (1) de in eerste instantie met de reguliere procedure verleende omgevingsvergunning herroepen (LEE 24/2875). Vervolgens heeft het college (2) de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast en beslist dat de gebruiksoppervlakte van 50m² van de appartementen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college wil daarom niet afwijken van het bestemmingsplan (LEE 25/1923). Eisers zijn het niet met de besluiten eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit 2 onvoldoende gemotiveerd is
.Het bestreden besluit 1 kan in stand blijven. Eisers krijgen dus (deels) gelijk en het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 25/1923 is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 3 augustus 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Die ziet op het realiseren van twee woongebouwen voor 26 appartementen met een gebruiksoppervlakte van 50m² op de locatie Van Heemskerckstraat in Groningen op percelen [nummers] (het bouwplan).
2.1.
Bij besluit van 15 januari 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Derde-partijen hebben bezwaar ingediend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 27 februari 2020 die bezwaren gegrond verklaard. De verleende omgevingsvergunning is alsnog geweigerd.
2.3.
Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. Het college heeft op de zitting van deze rechtbank van 19 oktober 2021 het besluit op bezwaar van 27 februari 2020 ingetrokken.
2.4.
Het college heeft eisers op 22 maart 2022 geïnformeerd dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat een ontwerpbesluit wordt opgesteld.
2.5.
Bij besluit van 22 september 2023 heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning geweigerd. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is daarbij toegepast.
2.6.
In de uitspraak van 21 februari 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [1] het besluit van 22 september 2023 beschouwd als een nieuw besluit op bezwaar waarbij het besluit van 15 januari 2019 is herroepen, en als een nieuw besluit op de aanvraag. De Afdeling heeft het besluit vernietigd, onder meer omdat het college niet is ingegaan op de vraag of appartementen met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50m² in strijd met een goede ruimtelijke ordening zijn. Het college is daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen.
2.7.
Eisers hebben op 2 juli 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar (zaaknummer LEE 24/2875).
2.8.
Bij besluit op bezwaar van 30 juli 2024 heeft het college de bezwaren gegrond verklaard en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het besluit van 15 januari 2019 is herroepen (bestreden besluit 1, zaaknummer LEE 24/2875).
2.9.
Op 6 september 2024 heeft het college het ontwerpbesluit genomen waarin de aanvraag om een omgevingsvergunning is geweigerd.
2.10.
Eisers hebben daar zienswijzen tegen ingediend.
2.11.
Bij besluit van 7 april 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd (bestreden besluit 2, LEE 25/1923).
2.12.
Eisers hebben hiertegen op 26 mei 2025 beroep ingesteld.
2.13.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.14.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de broer van eiser ([naam]), de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en derde-partijen [derde belanghebbende 4], [derde belanghebbende 3] en [derde belanghebbende 6] met zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag en de gewijzigde aanvraag om een omgevingsvergunning zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold voor 1 januari 2024, van toepassing. [2]
Het beroep tegen het bestreden besluit 2, zaaknummer LEE 25/1923
4. De rechtbank beoordeelt eerst het beroep tegen het bestreden besluit 2, daarna het beroep tegen het bestreden besluit 1.
5. In het bestreden besluit 2 heeft het college de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen 2 (‘HBW 2’). Op grond van dit bestemmingsplan moeten de appartementen een gebruiksoppervlakte hebben van meer dan 50 m². De aanvraag voldoet daar niet aan, omdat de appartementen een gebruiksoppervlakte hebben van 50 m². Volgens het college is de gebruiksoppervlakte van 50m² in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50m² wordt namelijk voorkomen dat zeer kleine zelfstandige woningen worden gecreëerd die vergelijkbaar zijn met onzelfstandige kamers in een kamerverhuurpand. Voor woonruimten met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50m² geldt op grond van de artikelen 4.31 en 4.35 van het Bouwbesluit de verplichting dat niet-gemeenschappelijke berg- en buitenruimten worden gerealiseerd. Een oppervlakte van meer dan 50 m² is daarom nodig in het belang van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien zal het bouwplan volgens het college leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties. Er is sprake van een te beperkte ontsluitingsmogelijkheid van de percelen waar het bouwplan op ziet. Dit komt door de toegangsweg die eindigt bij een kleine toegangspoort aan de Van Heemskerckstraat.
Wat betekent de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 voor deze zaak?
6. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de uitspraak van 21 februari 2024 heeft geoordeeld dat het college het bouwplan in het besluit van 22 september 2023 terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan ‘HBW 2’. De rechtbank zal voor de beoordeling van deze zaak daarom bij dat oordeel aansluiten. Dat eisers in hun beroepschrift betogen dat in het bestreden besluit ten onrechte is getoetst aan het bestemmingsplan ‘HBW 2’ maakt dat niet anders.
Wat is tussen partijen in geschil?
7. Tussen partijen is in geschil of de bouw van het bouwplan is toegestaan onder het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan ‘HBW 2’. Verder staat ter discussie of het college het besluit om niet af te wijken van de planregel over de gebruiksoppervlakte van meer dan 50m², voldoende gemotiveerd heeft. Partijen verschillen ook van mening over de vraag of het college de verkeerssituatie bij de toegangspoort tot de percelen aan de weigering ten grondslag kan leggen.
7.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan voorziet in appartementen met een gebruiksoppervlakte van 50m². Ook is niet in geschil dat dit in strijd is met artikel 38.2, onder e, van het bestemmingsplan ‘HBW 2’.
Kunnen eisers een beroep doen op het bouwovergangsrecht?
8. Eisers doen een beroep op het bouwovergangsrecht van artikel 75.1 van het bestemmingsplan ‘HBW 2’. Eisers stellen dat aan hen op 15 januari 2019 een omgevingsvergunning verleend is. Hoewel die verleende omgevingsvergunning is herroepen in het besluit op bezwaar van 27 februari 2020, is deze herroeping ter zitting van deze rechtbank van 19 oktober 2021 ingetrokken. De intrekking van de herroeping vond volgens eisers met terugwerkende kracht (ex tunc) plaats. De in eerste instantie verleende vergunning van 15 januari 2019 is daarom op dat moment komen te herleven. Het gevolg daarvan is dat met terugwerkende kracht sprake is van een bouwwerk dat gebouwd kon worden krachtens een omgevingsvergunning toen het bestemmingsplan ‘HBW 2’ in april 2020 [3] in werking trad.
8.1.
Het college betoogt dat het overgangsrecht geen bouw- of omgevingsvergunning vervangende titel verschaft. Dit betekent volgens het college dat een omgevingsvergunning voor het bouwplan vereist blijft.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 besloten dat eisers geen beroep kunnen doen op het bouwovergangsrecht. De Afdeling heeft namelijk geoordeeld dat het college opnieuw op de aanvraag moet beslissen. Dit betekent dat eisers geen (onherroepelijke) omgevingsvergunning hebben die het recht geeft om het bouwplan te realiseren. [4] Dit maakt dat eisers geen beroep kunnen doen op het overgangsrecht. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de gebruiksoppervlakte van 50 m² in strijd met de goede ruimtelijke ordening?
9. Eisers betogen dat de motivering van het bestreden besluit om niet af te wijken van het bestemmingsplan geen stand kan houden. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50m² een betere woonkwaliteit hebben dan woningen met een gebruiksoppervlakte van 50m². Het bouwplan voorziet in de door het college gewenste balans tussen wonen, parkeren en groen.
9.1.
Het college betoogt dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is. Het college hecht veel waarde aan de eis dat woningen een gebruiksoppervlakte van meer dan 50m² hebben, omdat daaraan door het Bouwbesluit aanvullende bouweisen voor niet-gemeenschappelijke berg- en buitenruimten worden gesteld. Dit zorgt voor meer woonkwaliteit.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voor zover de motivering ziet op de planregel van een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² onvoldoende gemotiveerd. Het verschil tussen een gebruiksoppervlakte van 50 m² en een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² is zeer gering, maar de rechtbank volgt het college dat dit ruimtelijk door kan werken door de koppeling met het Bouwbesluit. Ter zitting is door eisers echter toegelicht dat het bouwplan voorziet in appartementen met eigen buitenruimten. Het bouwplan voorziet voor elke woning in een eigen tuin of balkon. Het college heeft dat niet betwist. Het college is daarom in het bestreden besluit ten onrechte uitgegaan van de omstandigheid dat geen sprake is van woningen met eigen buitenruimten. Dit brengt met zich mee dat uit het bestreden besluit niet volgt hoe de woningen met een gebruiksoppervlakte van 50 m² met eigen buitenruimten zich verhouden tot de gewenste leefbaarheid en woonkwaliteit.
Weliswaar staat vast dat het bouwplan alleen voorziet in een gemeenschappelijke bergruimte en niet in niet-gemeenschappelijke bergruimten, zoals in het Bouwbesluit is opgenomen, maar uit de nota van zienswijzen volgt dat vooral voldoende buitenruimte doorwerkt in de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan. Nu die eigen buitenruimte in het bouwplan is opgenomen, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de appartementen met een gebruiksoppervlakte van 50m² in strijd zijn met de goede ruimtelijke ordening.
9.2.1.
Het standpunt van het college dat het college niet kan afdwingen dat de buitenruimten van de woningen in de praktijk worden gerealiseerd en dat dit bij een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² is gewaarborgd door de koppeling met het Bouwbesluit, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Niet in geschil is dat de eigen buitenruimten van de woningen onderdeel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning die voorligt. Het college moet de aanvraag als zodanig beoordelen. [5] Daar komt bij dat de eigen buitenruimten van de woningen relevant zijn voor de beoordeling om af te wijken van de gebruiksoppervlakte uit de planregels. Gelet daarop zou het college hiervoor een vergunningsvoorschrift aan de omgevingsvergunning kunnen verbinden, mocht het college de omgevingsvergunning verlenen. [6] Het betoog van het college biedt hierom geen uitkomst. De beroepsgrond slaagt.
9.3.
Op de zitting is gebleken dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning alleen getoetst heeft aan het bestemmingsplan ‘HBW 2’ en dat de weigering niet gebaseerd is op de woonvisie ‘Wonen in Stad’. De rechtbank zal daarom niet ingaan op de beroepsgrond die zich richt tegen de woonvisie.
Is de verkeerssituatie in strijd met de goede ruimtelijke ordening?
10. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college de verkeersveiligheid ten onrechte als weigeringsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Eisers stellen dat wonen op het perceel is toegestaan door de bestemming ‘gemengde doeleinden’. De toegang tot de percelen via de poort is vanwege die bestemming planologisch geborgd. Daarmee is niet onderbouwd dat de beperkte ontsluitingsmogelijkheid maakt dat het bouwplan in strijd met de goede ruimtelijke ordening is.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de percelen uitsluitend toegankelijk zijn door een kleine poort die onder de woningen aan de Van Heemskerckstraat is gelegen. Het college vreest voor verkeersoverlast en gevaarlijke verkeerssituaties. Het college betoogt (in het verweerschrift) dat het bouwplan zorgt voor een grotere verkeersstroom dan de verkeersstroom die de huidige garageboxen en bedrijfsruimten realiseren. De toegangspoort kan daarmee onvoldoende de verkeersveiligheid dragen en borgen.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat op grond van de ontsluitingsmogelijkheid via de poort en de verkeersveiligheid niet kan worden afgeweken van het bestemmingsplan ‘HBW 2’. Het college heeft ten onrechte het planologisch toegestane gebruik van de percelen in de planvergelijking om af te wijken betrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de ruimtelijke effecten die op grond van het bestemmingsplan al zijn toegestaan bij de beoordeling om af te wijken buiten beschouwing blijven. [7] Het staat vast dat wonen op de percelen waar het bouwplan op ziet, is toegestaan. Tussen partijen is immers niet in geschil dat voor de percelen waar het bouwplan op ziet de bestemming ‘gemende doeleinden’ geldt en dat zelfstandige woningen en parkeervoorzieningen daar onder vallen. Bovendien geldt op de toegangsweg en bij de toegangspoort de bestemming ‘woondoeleinden’. Dit maakt dat de enkele omstandigheid dat het bouwplan voorziet in woningen geen te beperkte ontsluitingsmogelijkheden en verkeersoverlast tot gevolg kan hebben.
10.3.
Bovendien ziet de afwijking van het bestemmingsplan ‘HBW 2’ alleen op de planregel van een gebruiksoppervlakte van de appartementen van meer dan 50m². Dit betekent dat het college moet beoordelen wat de afwijking van een gebruiksoppervlakte van 50 m² (in plaats van meer dan 50 m²) betekent voor de goede ruimtelijke ordening als het gaat om de toegangspoort, de verkeersoverlast en de verkeersveiligheid. Het college heeft dat niet onderzocht en niet onderbouwd. Hierom heeft het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Heeft het college algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
11. Eisers hebben een beroep gedaan op het fair playbeginsel en het beginsel van détournement de pouvoir. Eisers wijzen daarbij, zo begrijpt de rechtbank, op de omstandigheid dat het college eigen plannen heeft in het kader van de herontwikkeling van het terrein van het Alfa College en die plannen er ten koste van eisers door wil drukken.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slagen deze betogen niet, omdat eisers hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. Daar komt bij dat het college op zitting heeft toegelicht dat de plannen voor herontwikkeling van het terrein van het Alfa College nog onvoldoende concreet zijn uitgewerkt. Voor zover eisers stellen dat sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad, vanwege de gang van zaken rondom het indienen van de nieuwe tekeningen op 24 december 2021, merkt de rechtbank op dat die gang van zaken niet ter toetsing aan haar voorligt.
Het beroep tegen het bestreden besluit 1, zaaknummer LEE 24/2875
12. De rechtbank overweegt dat een beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook betrekking heeft op het hangende dat beroep alsnog genomen besluit, tenzij dit besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. [8]
Eisers kunnen zich niet verenigen met het alsnog genomen besluit, omdat het college niet aan het beroep van eisers is tegemoetgekomen. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit.
13. Nu het college inmiddels wel op het bezwaar heeft beslist, is het belang van eisers bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar komen te vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
14. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit 1 in stand kan blijven. Hoewel het college ook een motivering in het besluit heeft opgenomen, die overeenkomt met de motivering van het bestreden besluit 2, ziet de rechtbank dit besluit als een kale herroeping van het besluit van 15 januari 2019, omdat de verkeerde voorbereidingsprocedure is gevolgd. Het college heeft namelijk terecht gesteld dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden toegepast, omdat de aanvraag van eisers in strijd is met het bestemmingsplan ‘HBW 2’ en de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid van toepassing is. [9] Het college heeft daarom ook terecht het bezwaar gegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning (het besluit van 15 januari 2019) herroepen om daarna de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te starten en een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. [10] Dit betekent dat het beroep van eisers tegen het bestreden besluit 1 niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 24/2875 is voor zover het gaat om het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit 1 in stand blijft. Eisers krijgen voor deze zaak het griffierecht niet terug. Zij krijgen voor deze zaak ook geen vergoeding van hun proceskosten.
16. Het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 25/1923 is gegrond omdat het bestreden besluit 2 in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit 2. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
16.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken. Gelet op de omstandigheid dat de aanvraag eerder is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb te bepalen dat afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft.
Omdat het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 25/1923 gegrond is moet het college het griffierecht van € 194,- aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 24/2875 wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 24/2875 voor het overige ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak met zaaknummer LEE 25/1923 gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 april 2025;
- draagt het college op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat bij het nemen van dit nieuwe besluit afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
(…)
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge
artikel 7:3 (https://www.inview.nl/openCitation/idf471c4c1951ced24a66440edbe5caf2f)van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…)
Besluit ruimtelijke ordening
Artikel 3.2.1
In een bestemmingsplan worden de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van bouwwerken opgenomen, met dien verstande dat het percentage genoemd in het tweede lid van die regeling lager kan worden vastgesteld:
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Bouwbesluit
Artikel 4.31. Aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen
Een woonfunctie heeft als nevenfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m.
In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2de bergruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt.
Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een woonfunctie voor studenten en een woonfunctie voor zorg.
Artikel 4.35. Aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid
Een woonfunctie heeft een niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m, die rechtstreeks bereikbaar is vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van die woonfunctie.
In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de buitenruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte aan buitenruimte ten minste 1 m2 per op die buitenruimte aangewezen woonfunctie bedraagt, met een minimum van 4 m2 en een breedte van ten minste 1,3 m. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via gemeenschappelijke ruimten.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.
Bestemmingsplan Kostverloren, Zeeheldenbuurt en Badstratenbuurt
Artikel 1: Begripsbepalingen Pro
31. gebruiksoppervlakte: de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580 met dien verstande dat daarbij aangebouwde bergingen, garages en andere niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld;
Bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen 2
38.2
Artikel 10 Gemengde Pro doeleinden
10.1
Doeleindenomschrijving
De op de kaart voor gemengde doeleinden aangegeven gronden zijn bestemd voor:
(…)
Zelfstandige woningen, met dien verstande dat:
1. De gebruiksoppervlakte van een woning meer dan 50 m² bedraagt, met uitzondering van de woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' en meergeneratiewoningen, of, indien de gebruiksoppervlakte van een bestaande woning minder bedraagt, de bestaande gebruiksoppervlakte;
(…)
Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels
Artikel 75 Overgangsrecht Pro
75.1
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Voetnoten

1.Het gaat om de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:723.
2.Dit volgt uit artikel 4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1592, r.o. 3 volgt dat het bestemmingsplan ‘HBW 2’ op 26 juni 2020 in werking is getreden.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2802.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2635, r.o. 8.1.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:NL:RVS:2019:4436, r.o. 7.1.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:492, r.o. 6.2.
8.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4758.