De eiser was aanvankelijk directeur bij gedaagde sub 1 en trad later in dienst bij gedaagde sub 2 als algemeen directeur vanwege een vestigingsplaatsvergunning. Sinds augustus 2025 ontving hij geen salaris meer. Gedaagde sub 2 werd failliet verklaard, waardoor de procedure tegen haar geschorst werd. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst met gedaagde sub 1 stilzwijgend was geëindigd en dat de eiser feitelijk in dienst was van gedaagde sub 2.
De eiser stelde dat op grond van artikel 7:616a BW gedaagde sub 1 hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van zijn salaris, omdat hij in dienst was van gedaagde sub 2 ter uitvoering van een opdracht van gedaagde sub 1. De kantonrechter vond dit aannemelijk gelet op het intercompany uitlenen van personeel binnen het concern en de doorbelasting van loonkosten.
De vordering tot betaling van het achterstallige salaris over augustus tot en met oktober 2025 werd toegewezen, inclusief wettelijke rente, ondanks het restitutierisico. De vorderingen op grond van de intentieovereenkomst en onkosten werden afgewezen. Tevens werd gedaagde sub 1 veroordeeld tot het verstrekken van salarisstroken en tot betaling van beslag- en proceskosten.