ECLI:NL:RBNNE:2025:5319

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
18.022477.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 20-jarige man voor gewapende overval met toepassing van adolescentenstrafrecht

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een 20-jarige man veroordeeld voor een gewapende overval op een winkel in Groningen. De rechtbank heeft de verdachte, die op 8 november 2024 een telefoon heeft weggenomen van een slachtoffer met geweld, veroordeeld tot een jeugddetentie van 12 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd, gezien de psychische stoornissen van de verdachte en zijn eerdere veroordelingen voor soortgelijke misdrijven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat toepassing van het jeugdstrafrecht gerechtvaardigd is. De vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van 5000 euro eiste, is toegewezen. De rechtbank heeft ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke maatregel afgewezen, omdat de opgelegde straf en maatregel in dit vonnis voldoende zijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.022477.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 16.338756.22.
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , gedetineerd in [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.P. Poppe, advocaat te Zwolle. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen, op de openbare weg, te weten in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk)
een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
  • de winkel ( [bedrijf] ) binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht (grotendeels) had afgedekt met een sjaal/capuchon/muts;
  • een (groot) mes te tonen aan die [slachtoffer 1] ;
  • ( daarbij) de woorden "geef je telefoon, geef je telefoon" en/of woorden van gelijke strekking tegen die [slachtoffer 1] te zeggen;
  • in de jaszakken en broekzakken van die [slachtoffer 1] te voelen
  • in het bovenbeen, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te stekken/snijden met dat mes;
  • de telefoon uit de (jas)zak van die [slachtoffer 1] te pakken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afnemen en uithanden houden van de telefoon van die [slachtoffer 1] , door:
  • de winkel ( [bedrijf] ) binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht (grotendeels) had afgedekt met een sjaal/capuchon/muts;
  • een (groot) mes te tonen aan die [slachtoffer 1] ;
  • ( daarbij) de woorden "geef je telefoon, geef je telefoon" en/of woorden van gelijke strekking tegen die [slachtoffer 1] te zeggen;
  • in de jaszakken en broekzakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
  • in het bovenbeen, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te stekken/snijden met dat mes;
  • de telefoon uit de (jas)zak van die [slachtoffer 1] te pakken;
2
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen, op de openbare weg, te weten in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk)
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), door:
  • de winkel ( [bedrijf] ) binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht (grotendeels) had afgedekt met een sjaal/capuchon/muts;
  • een (groot) mes te tonen aan en/of te richten op die [slachtoffer 2] ;
  • ( daarbij) de woorden "jouw telefoon, jouw telefoon" en/of woorden van gelijke strekking tegen die [slachtoffer 2] te zeggen;
  • de telefoon van die [slachtoffer 2] te pakken, nadat die [slachtoffer 2] deze telefoon naar hem, verdachte, had gegooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 2] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afnemen en uithanden houden van de telefoon van die [slachtoffer 2] , door:
  • de winkel ( [bedrijf] ) binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht (grotendeels) had afgedekt met een sjaal/capuchon/muts;
  • een (groot) mes te tonen aan en/of te richten op die [slachtoffer 2] ;
  • ( daarbij) de woorden "jouw telefoon, jouw telefoon" en/of woorden van gelijke strekking tegen die [slachtoffer 2] te zeggen;
  • de telefoon van die [slachtoffer 2] te pakken, nadat die [slachtoffer 2] deze telefoon naar hem, verdachte, had gegooid;
3
hij op of omstreeks 8 november 2024 te Groningen, op de openbare weg, te weten in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk)
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] (gevestigd aan [adres] ) en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde weg te nemen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
  • de winkel ( [bedrijf] ) binnen is gelopen;
  • terwijl hij zijn gezicht (grotendeels) had afgedekt met een sjaal/capuchon/muts;
  • een (groot) mes aan die [slachtoffer 3] heeft getoond;
  • de woorden "dit is een overval!" en/of woorden van gelijke strekking heeft gezegd/geroepen;
  • ( daarbij) met dat mes heeft gezwaaid;
  • op de deur van het kantoor heeft gebonkt (terwijl op dat moment die [slachtoffer 3] zich daar schuil hield);
  • de deur van dat kantoor heeft geprobeerd te openen;
  • de kassa heeft geprobeerd te openen;
  • een geldkistje heeft geprobeerd te openen;
  • vervolgens de winkel heeft verlaten;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling van [verdachte] gevorderd voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van diefstal met geweld, omdat het daarvoor vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. [verdachte] wilde de telefoons niet voor zichzelf houden, maar wilde voorkomen dat de aangevers de politie konden bellen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij de telefoons heeft achtergelaten op de toonbank.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu [verdachte] de tenlastegelegde feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsmiddelen
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 69 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024306918 d.d. 23 januari 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 86 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 november 2024, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2024, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat [verdachte] wel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de telefoons had en overweegt daartoe als volgt. Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie ook het tijdelijk verschaffen van de feitelijke heerschappij over een goed
onder omstandigheden kan worden aangemerkt als toe-eigening in de zin van artikel 310 Wetboek van Strafrecht, indien de dader gedurende die periode als heer en meester over dat goed beschikt.1
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] met geweld de telefoon van aangever [slachtoffer 1] heeft afgenomen en aangever [slachtoffer 2] onder dreiging van geweld heeft gedwongen zijn telefoon af te geven. [verdachte] heeft de telefoons vervolgens onder zich gehad terwijl hij het winkelpand doorzocht, om de telefoons uiteindelijk op de toonbank van de winkel achter te laten. Aangever [slachtoffer 1] wist in die periode niet waar zijn telefoon zich bevond, terwijl aangever [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] de telefoons buiten zijn bereik legde. Daarmee waren beide aangevers de feitelijke macht over hun telefoons kwijt. [verdachte] , en niet de aangevers, bepaalde op dat moment waar de telefoons zich bevonden en op welke wijze deze konden worden gebruikt. [verdachte] heeft verklaard dat hij de telefoons heeft weggenomen om te voorkomen dat de aangevers de politie konden bellen. De rechtbank is van oordeel dat dit motief, anders dan door de raadsman gesteld, juist ondersteunt dat [verdachte] het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. Het was immers [verdachte] die gedurende die periode als heer en meester over de telefoons beschikte en bepaalde dat de aangevers daarmee geen hulp konden inroepen.
Dat hij de goederen uiteindelijk heeft achtergelaten, neemt niet weg dat er reeds sprake was van een voltooide diefstal. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 8 november 2024 te Groningen in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk) een telefoon die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door:
  • de [bedrijf] binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht grotendeels had afgedekt met een sjaal en muts;
  • een groot mes te tonen aan die [slachtoffer 1] ;
  • daarbij de woorden "geef je telefoon, geef je telefoon" tegen die [slachtoffer 1] te zeggen;
  • in de jaszakken en broekzakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
  • in het bovenbeen van die [slachtoffer 1] te steken met dat mes;
  • de telefoon uit de jaszak van die [slachtoffer 1] te pakken;
2
hij op 8 november 2024 te Groningen, in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon die geheel aan die [slachtoffer 2] toebehoorde, door:
  • de [bedrijf] binnen te lopen;
  • terwijl hij zijn gezicht grotendeels had afgedekt met een sjaal en muts;
  • een groot mes te tonen aan en/of te richten op die [slachtoffer 2] ;
  • daarbij de woorden "jouw telefoon, jouw telefoon" tegen die [slachtoffer 2] te zeggen;
- de telefoon van die [slachtoffer 2] te pakken, nadat die [slachtoffer 2] deze telefoon naar hem, verdachte, had gegooid;
3
hij op 8 november 2024 te Groningen, in een winkelpand aan [adres] (op dat moment voor publiek vrij toegankelijk) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld, in elk geval enig goed, dat geheel aan [bedrijf] (gevestigd aan [adres] ) en [slachtoffer 3] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken
  • de [bedrijf] binnen is gelopen;
  • terwijl hij zijn gezicht grotendeels had afgedekt met een sjaal en muts;
  • een groot mes aan die [slachtoffer 3] heeft getoond;
  • de woorden "dit is een overval!" heeft geroepen;
  • daarbij met dat mes heeft gezwaaid;
  • op de deur van het kantoor heeft gebonkt terwijl op dat moment die [slachtoffer 3] zich daar schuil hield;
  • de deur van dat kantoor heeft geprobeerd te openen;
  • de kassa heeft geprobeerd te openen;
  • een geldkistje heeft geprobeerd te openen;
  • vervolgens de winkel heeft verlaten;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die
diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;
2. afpersing;
3. poging tot diefstal, vergezeld van dreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van Justitie gevorderd om aan [verdachte] de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna de PIJ-maatregel) op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de tijd die de [verdachte] heeft doorgebracht in voorarrest. Ten aanzien van de vordering PIJ-maatregel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Vastgesteld kan worden dat [verdachte] een gewapende overval heeft gepleegd in een winkel. Tijdens deze overval heeft hij aangever [slachtoffer 1] met een keukenmes in het bovenbeen gestoken, omdat [slachtoffer 1] weigerde zijn telefoon af te geven. Met hetzelfde mes heeft hij daarnaast zowel een aanwezige klant als de eigenaar van de winkel bedreigd. [verdachte] heeft ook geprobeerd geld uit de kassa weg te nemen. Het door [verdachte] gebruikte geweld en de dreiging met geweld vonden plaats tegen klanten die zich nietsvermoedend in de winkel bevonden en tegen een medewerker die simpelweg zijn werkzaamheden verrichtte. Voor de slachtoffers moet dit buitengewoon beangstigend zijn geweest. [verdachte] heeft op geen enkele manier rekening gehouden met hun gevoelens en evenmin respect getoond voor de eigendommen van de winkel. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen schade voor de slachtoffers, maar dragen ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de omgeving en in de samenleving. De rechtbank rekent dit [verdachte] zwaar aan.
Strafblad en rapportages
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van [verdachte] . Daaruit blijkt dat hij al eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. Op 30 augustus 2023 kreeg hij daarvoor jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. In het kader van de bijzondere voorwaarden bij die voorwaardelijke PIJ, werd hij behandeld in de kliniek [instelling 2] . De door [verdachte] gepleegde winkeloverval in Groningen vond plaats vier dagen nadat hij de behandeling bij de [instelling 2] had afgerond. Op dat moment liep [verdachte] nog in de proeftijd van de eerder opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel.
Over [verdachte] zijn verschillende rapportages uitgebracht. De rechtbank heeft met name acht geslagen op de rapportages van het multi onderzoek Pro Justitia d.d. 19 november 2025, bestaande uit:
  • het Psychiatrisch Onderzoek opgesteld door Mw. G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater;
  • het Psychologisch Onderzoek opgesteld door Drs. R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog.
De psychiater en de psycholoog hebben beschreven dat er bij [verdachte] sprake is van verschillende psychische stoornissen. Het gaat daarbij om een Autismespectrumstoornis (ASS), een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis bij gemiddeld ontwikkelde cognitieve vermogens. Deze stoornissen zijn blijvend aanwezig en beïnvloeden hoe [verdachte] denkt, voelt en doet. Volgens de deskundigen heeft [verdachte] moeite om zijn gedrag te sturen, zoekt hij snel spanning op en denkt hij onvoldoende na over de gevolgen. De gewetensontwikkeling verloopt bij hem gebrekkig, waardoor hij sneller de stap naar strafbaar gedrag zal maken. Volgens de deskundigen hebben zowel de ASS als de ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken doorgewerkt in het ten laste gelegde. Gelet op het voorgaande vinden de deskundigen dat het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan verdachte.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, maakt die tot de hare en verklaart [verdachte] daarom verminderd toerekeningsvatbaar.
Toepassing jeugdstrafrecht
Beide deskundigen stellen vast dat, hoewel [verdachte] meerderjarig is, hij sociaal-emotioneel op een veel jonger niveau functioneert. Zij adviseren toepassing van het jeugdstrafrecht gelet op de grote achterstanden in zijn persoonlijkheidsontwikkeling en zijn beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, passend bij adolescentenproblematiek. De rechtbank zal deze conclusie overnemen en [verdachte] berechten met toepassing van het jeugdstrafrecht.
Maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen
Het risico dat [verdachte] opnieuw de fout ingaat, wordt zonder behandeling en toezicht als hoog ingeschat door de deskundigen. Zelfs mét begeleiding blijft dat risico matig tot hoog. De deskundigen benadrukken dat zijn drang naar spanning en snel geld verdienen een belangrijke risicofactor is. Zij vinden daarom dat verdachte intensieve behandeling en begeleiding nodig heeft in een stevig juridisch kader, mede omdat verdachte zelf weinig probleembesef toont en niet gemotiveerd is voor behandeling. Zonder structuur, behandeling en medicatie is de kans groot dat het opnieuw misgaat. Om die redenen adviseren de psychiater en psycholoog het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, zodat verdachte langdurig behandeld kan worden en het risico op herhaling zo klein mogelijk wordt.
Op basis van de over verdachte opgemaakte rapportages stelt de rechtbank vast dat bij hem sprake is van meerdere psychische stoornissen, die hebben doorgewerkt in zijn gedrag ten tijde van het plegen van de feiten. De deskundigen achten met name de gebrekkige gewetensvorming bij verdachte zeer zorgelijk. De rechtbank onderschrijft dit en concludeert dat verdachte een intensieve en langdurige behandeling nodig heeft, waarvoor geen ander kader dan een PIJ-maatregel toereikend is.
De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater hebben gerapporteerd is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Aan de eisen voor het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, zoals bepaald in artikel 77s, aanhef en eerste lid, Sr., is daarmee voldaan.
De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
De rechtbank adviseert dat behandeling zal plaatsvinden binnen een setting waarin de veiligheid van verdachte voldoende geborgd kan worden. Gezien het psychiatrische karakter van zijn problematiek wordt daarom plaatsing op een afdeling met expertise op dit vlak nodig geacht. Daarbij kan gedacht worden aan de VIC afdeling binnen [instelling 1] of soortgelijke behandelsetting.
Jeugddetentie
De rechtbank ziet aanleiding om, naast de PIJ-maatregel, ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd. Daarin staat dat voor een overval op een winkel een onvoorwaardelijke jeugddetentie vanaf de duur van vier maanden passend is. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat [verdachte] al meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een soortgelijk delict, en dat hij hiervan kennelijk onvoldoende heeft geleerd. Verder weegt de rechtbank mee dat [verdachte] de aanwezigen in de winkel niet alleen heeft bedreigd met een keukenmes, maar dat hij ook daadwerkelijk geweld heeft gebruikt waarbij één van de slachtoffers een steekwond in het bovenbeen opliep. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. Alles afwegend zal de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen van 12 maanden, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt hiermee een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank vindt het, mede gezien de leeftijd en ontwikkelingsfase van verdachte, belangrijk dat hij spoedig kan beginnen aan zijn behandeling binnen het kader van de PIJ-maatregel.
Benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Naar zijn mening is voldoende aannemelijk en onderbouwd dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu deze naar het oordeel van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de hoogte van het immateriële schadebedrag gematigd dient te worden, aangezien de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak niet vergelijkbaar is.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van hetgeen onder 1 primair bewezen is verklaard. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie gering beenletsel onder paragraaf 5.13 (f. III) en de categorie minder ernstig geestelijk letsel onder paragraaf 14.1 (d), oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 5.000,- billijk is. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2024.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 30 augustus 2023, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 14 september 2023. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 4 november 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde maatregel. De
hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.
De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in het eerdere vonnis opgelegde algemene voorwaarde heeft overtreden, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel in beginsel op zijn plaats is. Toch ziet de rechtbank, gezien de straf en maatregel die in dit vonnis worden opgelegd, geen meerwaarde in tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel. Daarom wordt de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Adviseert dat de veroordeelde zal worden geplaatst op de VIC afdeling binnen [instelling 1] .
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 5000,00 (zegge: vijfduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] de Staat te betalen een bedrag van 5000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
5000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

16.338756.22:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 30 augustus 2023.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.