ECLI:NL:RBNNE:2025:5317

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
18-224557-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot uitlokking van moord, opruiing en bedreiging via sociale media

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 16 augustus 2025 een Facebook-bericht heeft geplaatst waarin hij oproept tot de moord op twee aangevers, met een beloning van 1000 euro. De verdachte is beschuldigd van poging tot uitlokking van moord, opruiing en bedreiging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 30 juli en 16 augustus 2025 verschillende berichten op Facebook heeft geplaatst, waarin hij de namen van de aangevers noemde en hen bedreigde. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Bij de veroordeling zijn bijzondere voorwaarden verbonden aan het voorwaardelijke strafdeel, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een alcoholverbod. De rechtbank heeft de ernst van de feiten benadrukt, waarbij de verdachte ernstige zorgen heeft veroorzaakt voor de veiligheid van de aangevers. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn verleden met alcoholgebruik en de betrokkenheid van hulpverleningsinstanties. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was voor immateriële schade. De rechtbank heeft de verbeurdverklaring van de in beslag genomen telefoon van de verdachte toegewezen, aangezien deze is gebruikt bij het plegen van de feiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-224557-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 december 2025 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 november 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2025 tot en met 16 augustus 2025 te [plaats] , althans in Nederland, heeft gepoogd om een of meer anderen, door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door giften en/of beloften en/of het verschaffen van inlichtingen, te bewegen tot het plegen van moord op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door
  • een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden waarin hij, verdachte, de namen van bovengenoemde slachtoffers noemt en/of vraagt naar de concrete verblijfplaats van bovengenoemde slachtoffers en/of een foto van bovengenoemde slachtoffers deelt, en/of
  • (vervolgens) een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden en/of een of meerdere berichten via WhatsApp te versturen waarin hij, verdachte, een beloning uitlooft van 1000 euro voor de moord(en) op bovengenoemde slachtoffers, althans waarin hij, verdachte, aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs”;
2
hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2025 tot en met 16 augustus 2025 te [plaats] , althans in Nederland, in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door
  • een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden waarin hij, verdachte, de namen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] noemt en/of vraagt naar de concrete verblijfplaats van bovengenoemde slachtoffers en/of een foto van bovengenoemde slachtoffers deelt, en/of
  • (vervolgens) een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden waarin hij, verdachte, een beloning uitlooft van 1000 euro voor de moord(en) op bovengenoemde slachtoffers, althans waarin hij, verdachte, aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs”;
3
hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2025 tot en met 16 augustus 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
  • een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden waarin hij, verdachte, de namen van bovengenoemde slachtoffers noemt en/of vraagt naar de concrete verblijfplaats van bovengenoemde slachtoffers en/of een foto van bovengenoemde slachtoffers deelt, en/of
  • (vervolgens) een of meerdere berichten en/of reacties op Facebook te plaatsen en/of te verspreiden en/of een of meerdere berichten via WhatsApp te versturen waarin hij, verdachte, een beloning uitlooft van 1000 euro voor de moord(en) op bovengenoemde slachtoffers, althans waarin hij, verdachte, aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs” en/of een e-mail naar die [slachtoffer 1] te versturen met de tekst 'staat nu prijs op je kop', van welke bedreigende berichten en/of reacties en/of e-mail die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] later (door de politie) in kennis zijn gesteld.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft onder meer gerekwireerd dat verdachte op 30 juli 2025 inlichtingen heeft proberen te verschaffen over de concrete verblijfplaats van zijn kind alsook aangevers en dat dit de oproep van 16 augustus 2025 zeer serieus en gevaarlijk maakt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 aangevoerd dat de over en weer verstuurde WhatsApp-berichten niets te maken hebben met de ten laste gelegde opruiing of poging tot uitlokking van moord.
Verdachte verwijst enkel in die gesprekken naar zijn bericht op Facebook van 16 augustus 2025.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 3 en heeft daartoe aangevoerd dat aangevers pas op 18 augustus 2025 van de bedreiging op de hoogte zijn gesteld. De ten laste gelegde bedreiging onder feit 3 kan daarom niet bewezen worden, omdat aangevers niet in de ten laste gelegde pleegperiode zijn bedreigd.
De raadsman heeft ten aanzien van alle feiten aangevoerd dat de tenlastelegging onterecht uitgaat van een pleegperiode van ongeveer 2 weken. Het handelen van verdachte onder het eerste gedachtestreepje kan bij elk van de feiten niet als bedreigend worden opgevat. De Facebook-berichten van 30 juli 2025 staan namelijk los van het Facebook-bericht van 16 augustus 2025, waarin verdachte een beloning uitlooft om aangevers af te laten knallen. Verdachte wilde op 30 juli 2025 uitsluitend weten waar aangevers met zijn kind verbleven, omdat hij actief van zijn kind werd weggehouden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waar het blijkens zijn inhoud betrekking op heeft.
1. De door verdachte ter terechtzitting van 21 november 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb de Facebook-berichten geplaatst. Ik heb het Facebook-bericht van 16 augustus 2025 geplaatst, omdat ik op dat moment even wilde dat iemand het zou doen
(de rechtbank begrijpt: de oproep van verdachte om aangevers af te laten knallen voor 1000 euro).
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025221359 d.d. 16 september 2025, voor zover inhoudend de aangifte van [slachtoffer 1] :
Plaats delict: [plaats]
Vanochtend
(de rechtbank begrijpt: op 18 augustus 2025)werd ik door de politie in kennis gesteld dat mijn ex [verdachte] afgelopen weekend een oproep op Facebook had geplaatst met daarin de oproep om mij om het leven te brengen met als beloning een bedrag van 1000 euro.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend de aangifte van [slachtoffer 2] :
Ik heb 18 augustus 2025 telefonisch van [slachtoffer 1] gehoord dat [verdachte] op Facebook een beloning uitgeloofd had om [slachtoffer 1] en mij te vermoorden. Ik heb begrepen dat [verdachte] er een beloning van 1000 euro op gezet had.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 58
e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik heb de bij verdachte [verdachte] in beslag genomen telefoon onderzocht. Ik zag in de telefoon de volgende Facebook-berichten staan, afkomstig van [verdachte] :
Goed mensen mijn zoontje inmiddels al dik half jaar niet gezien, mijn ex [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn verhuist naar [plaats] zover ik weet zonder toestemming of overleg. ()
30-07-2025 te 20:37: Dit zijn die misbaksels
16-08-2025 te 16:24:05: Zoon vandaag jarig 5 geworden maar niks vernomen van de moeder. ()
16-08-2025 te 18:05: 1000 euro voor de eerste en de beste die hun afknalt met bewijs ().
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring van verdachte:
De twee personen op foto 7 zijn mijn ex [slachtoffer 1] en haar nieuwe vriend [slachtoffer 2] .
6. De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 21 november 2025:
De rechtbank ziet op pagina 22 van het procesdossier een afbeelding aangeduid als “foto 6”. Op deze afbeelding zijn reacties onder een Facebook-bericht te zien met een verzonden afbeelding met daarop afgebeeld twee personen en daaronder een bericht met de tekst “Dit zijn die misbaksels”. De rechtbank ziet op pagina 23 van het procesdossier een afbeelding aangeduid als “foto 7” met daarop afgebeeld twee personen. Foto 7 betreft een uitvergroting van de afbeelding die op foto 6 is te zien.
Bewijsoverweging
De tenlastelegging is toegesneden op twee momenten waarop verdachte Facebook-berichten zou hebben geplaatst: op 30 juli 2025 en op 16 augustus 2025.
Via Whatsapp stuurt verdachte op 16 augustus 2025 berichten aan verschillende personen (één-op-één, niet in een groep) over die opdracht en de daaraan verbonden beloning van 1000 euro.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze Facebook- en WhatsApp-berichten zoals bedoeld in de tenlastelegging kunnen worden geduid als een poging tot uitlokking van moord, opruiing en bedreiging. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Het juridische kader
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot uitlokking van moord te komen is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op het aanzetten van een ander tot het plegen van een moord en dat hij daartoe een uitlokkingsmiddel heeft aangewend. Voor een poging tot uitlokking van moord geldt dat in de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering besloten moet liggen die op voltooiing daarvan is gericht.
Opruiing wordt gedefinieerd als het door middel van onder meer een geschrift in het openbaar aanzetten tot enig strafbaar feit. De opruiende tekst moet tot een publiek zijn gericht.
Van bedreiging is in dit geval sprake als de geadresseerde van de bedreiging op de hoogte is geraakt van de bedreiging en uit de geuite bedreiging redelijke vrees kan ontstaan dat “de uitlokking van moord” waarmee is gedreigd ook zou worden gepleegd.
De Facebook-berichten van 30 juli en 16 augustus 2025
Uit de stukken volgt dat verdachte op 30 juli 2025 meerdere Facebook-berichten heeft geplaatst. In die berichten heeft hij onder andere gevraagd naar de verblijfsplaats van aangevers. Ook heeft verdachte die dag de namen van aangevers genoemd in een bericht, en een foto van hen geplaatst. Deze berichten kunnen op zichzelf beschouwd niet worden gezien als een poging uitlokking moord, opruiing of bedreiging. Derhalve zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken voor zover het ten laste gelegde ziet op de berichten van 30 juli 2025.
Uit de stukken volgt dat verdachte vervolgens op 16 augustus 2025 een Facebook-bericht heeft geplaatst met de volgende tekst: 1000 euro voor de eerste en de beste die hun afknalt met bewijs, maar niet als mijn zoon erbij is. Uit de inhoud van dit bericht, in onderlinge samenhang bezien met de berichten van 30 juli 2025 waarin verdachte de namen van aangevers heeft genoemd en een foto van aangevers heeft geplaatst, blijkt een oproep tot het plegen van moord op aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met als uitlokkingsmiddel een in het vooruitzicht gestelde financiële beloning. De onderlinge samenhang tussen de berichten blijkt temeer uit de context waarin de berichten zijn geplaatst, zowel op 30 juli als op 16 augustus schreef verdachte over zijn onvrede over het gebrek aan contact met zijn zoon.
De rechtbank ziet in dit handelen van verdachte een begin van uitvoering tot het uitlokken van moord, die op voltooiing daarvan is gericht. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting bekend dat hij op het moment dat hij het bericht plaatste heeft gewild dat iemand zijn moordoproep zou gaan uitvoeren. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat verdachte, door het plaatsen van het bericht op 16 augustus 2025, heeft gepoogd een ander uit te lokken tot het plegen van moord op aangevers.
De rechtbank is van oordeel dat het bericht van 16 augustus 2025 eveneens als opruiing moet worden gezien, nu met dit bericht in het openbaar en bij geschrift is aangezet tot het plegen van een strafbaar feit, te weten moord. Uit de bewoordingen van het Facebook-bericht blijkt dat verdachte zijn opdracht tot moord tot een publiek heeft gericht. Verdachte had op het moment dat hij het bericht plaatste 946 Facebook-connecties en kon dus met zijn oproep een groot publiek bereiken. Uit de omstandigheid dat er meerdere reacties op het bericht zijn geplaatst, leidt de rechtbank af dat het publiek ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van het bericht.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het bericht ook als een bedreiging moet worden gezien. Het bericht bevat dreigende taal waaruit een redelijke vrees kan ontstaan dat de uitlokking van moord waarmee is gedreigd, ten uitvoer zal worden gebracht. Weliswaar zijn aangevers op 18 augustus 2025 op de hoogte geraakt van het bericht, maar aangezien de tenlastelegging ziet op de periode omstreeks 16 augustus 2025 valt ook de datum 18 augustus 2025 nog onder de ten laste gelegde periode en de rechtbank zal de bedreiging dan ook dienovereenkomstig bewezen verklaren.
De WhatsApp-berichten van 16 augustus 2025
Verdachte heeft op 16 augustus 2025 naar aanleiding van het Facebook-bericht van 16 augustus 2025 met enkele personen gesprekken gevoerd op WhatsApp. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat verdachte in deze WhatsApp-gesprekken enkel heeft verwezen naar het Facebook-bericht van 16 augustus 2025. Verdachte heeft niet actief geprobeerd de ontvangers van deze WhatsApp-berichten aan te zetten tot het uitvoeren van deze moordoproep. Deze WhatsApp-berichten hebben voorts geen opruiend karakter doordat zij niet in het openbaar zijn geplaatst. Tot slot bevat het dossier ook geen aanwijzingen dat aangevers binnen de ten laste gelegde periode van deze WhatsApp-berichten op de hoogte zijn geraakt, waardoor deze berichten evenmin een bedreiging opleveren. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken voor zover de ten laste gelegde feiten zien op de Whatsapp-berichten van 16 augustus 2025.
De e-mail van 16 augustus 2025
Uit de stukken volgt eveneens dat verdachte op 16 augustus 2025 een e-mail heeft verstuurd naar het e-mailadres [mailadres] , met daaronder de naam [slachtoffer 1] . De inhoud van de mail betreft de tekst staat nu een prijs op je kop. Uit het dossier kan echter niet worden vastgesteld of aangeefster [slachtoffer 1] binnen de ten laste gelegde periode - op de hoogte is geraakt van deze e-mail. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken voor zover de ten laste gelegde bedreiging ziet op de e-mail van 16 augustus 2025.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 16 augustus 2025 te [plaats] heeft gepoogd om anderen, door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door giften en beloften, te bewegen tot het plegen van moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door
een bericht op Facebook te plaatsen waarin hij aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs”;
2
hij op 16 augustus 2025 te [plaats] in het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, dooreen bericht op Facebook te plaatsen waarin hij aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs”;
3
hij omstreeks 16 augustus 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een bericht op Facebook te plaatsen waarin hij aangeeft “1000 euro voor de eerste de beste die hun afknalt met bewijs” van welke bedreigende berichten die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] later in kennis zijn gesteld.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van:
poging tot uitlokking van moord;
het in het openbaar bij geschrift opruien tot enig strafbaar feit;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd - met inachtneming van eendaadse samenloop - dat verdachte voor alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Zij heeft in aanvulling hierop gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd, met als toevoeging aan deze voorwaarden dat de omgang met het kind alleen met tussenkomst van hulpverleningsinstanties mag verlopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een groter voorwaardelijk strafdeel moet worden opgelegd. Hij heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte bij een veroordeling een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte
zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit.
Verdachte heeft op Facebook een bericht geplaatst waarin hij een beloning uitlooft van 1000 euro voor het laten afknallen van aangevers. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot uitlokking van moord, opruiing en bedreiging. Verdachte heeft met het plaatsen van deze moordoproep ernstige zorgen en risicos rondom de veiligheid van aangevers in het leven geroepen. Hij heeft daarmee tegelijkertijd ernstig afbreuk gedaan aan het gevoel van veiligheid dat zij behoren te hebben. Ook heeft deze oproep geleid tot verontwaardigde reacties bij de lezers die daar kennis van hebben genomen. Het handelen van verdachte is niet alleen verontrustend voor zijn omgeving, maar heeft juist het tegenovergestelde effect van wat hij wilde bereiken: het bemoeilijkt de totstandbrenging van een goede omgang met zijn kind. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de controle over zijn emoties is verloren en dat hij zich als gevolg daarvan op een ontoelaatbare alsook zorgwekkende manier heeft uitgelaten.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 oktober 2025 blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 7 november 2025. De reclassering heeft het volgende geconstateerd. Verdacht ontvangt een uitkering en hij heeft geen werk. Er wordt toegewerkt naar bewindvoering. Verdachte heeft een dochter die in een pleeggezin verblijft en een zoon die bij aangeefster [slachtoffer 1] woont. Er zijn meerdere instanties bij deze kinderen betrokken waaronder de Raad voor de Kinderbescherming. Verdachte ziet zijn dochter niet en hij ziet zijn zoon sporadisch en dat heeft geresulteerd in een conflictueuze relatie met aangeefster. In het verleden was bij verdachte sprake van overmatig alcoholgebruik, maar hier zou om medische redenen geen sprake meer van zijn. Verdachte wordt begeleid door [instelling] sinds april 2024. Er zijn aanwijzingen voor een licht-verstandelijke beperking, maar er is daar geen diagnose van gesteld. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij instemt met de geadviseerde bijzondere voorwaarden en dat hij bereid is zich daaraan te houden. In aanvulling op het reclasseringsadvies heeft verdachte aangegeven dat het conflict over de omgang met zijn zoon en de daaruit ontstane stressklachten hem ervan heeft weerhouden om weer aan het werk te gaan. Hij heeft schulden en de omvang van die schulden moet nog worden vastgesteld.
De strafmaat
De rechtbank stelt voorop dat onbedwongen emoties in het merendeel van de strafzaken de primaire drijfveer zijn achter de normovertreding. De ernst van de bewezen verklaarde feiten vragen gelet daarop om een sterk vergeldende reactie waar ook een normbevestigende werking van uitgaat in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Niettegenstaande de ernst van de feiten, is het de rechtbank met name bij het zwaarste feit, namelijk de poging tot uitlokking van moord, gebleken dat het feitencomplex in deze zaak zich categoriseert als een atypische invulling van dit delict. Verdachte past niet binnen het daderprofiel van iemand die planmatig en met kille berekening te werk is gegaan, hetgeen dit soort zaken doorgaans typeert. Verdachte heeft daarnaast enkele maanden in voorarrest doorgebracht en hij heeft zich
schuldbewust getoond en heeft ook door dat zijn gedrag hem niet heeft geholpen zijn zoon te zien. De rechtbank is van oordeel dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht voor hem voldoende afschrikwekkend is geweest. Verdere leedtoevoeging gaat aan dit strafdoel voorbij. De rechtbank zal dan ook bij het bepalen van het onvoorwaardelijke strafdeel aansluiting zoeken bij de duur van het reeds ondergane voorarrest. Zij zal tegelijkertijd ter voorkoming van recidive aan verdachte een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
De rechtbank acht, alles afwegende, de volgende straf passend en geboden:
- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van 3 jaren;
- aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden volgend uit het
reclasseringsadvies van 7 november 2025 met als toevoeging dat de omgang met het kind alleen met tussenkomst van professionele hulpverleningsinstanties mag plaatsvinden en dat de elektronische monitoring (gekoppeld aan het locatieverbod) maximaal een (1) jaar mag duren.
Benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 250 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon als de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dit kan blijken uit stukken die zijn overgelegd door de benadeelde partij waaruit dit geestelijke letsel (objectief) kan worden afgeleid. Dergelijke stukken zijn in deze zaak niet ingediend.
Niettemin zou een vergoeding van schade aan de orde kunnen zijn als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat aantasting in de persoon op andere wijze zonder meer kan worden aangenomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat een dergelijke situatie zich niet snel voordoet. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat aangevers erg geschrokken zijn van de berichten van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending in dit geval niet zodanig zijn dat reeds op die grond een vergoeding van de schade aan de orde kan zijn. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt dan ook afgewezen.
De rechtbank bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

In beslag genomen goederen

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de bij verdachte in beslag genomen telefoon.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering tot verbeurdverklaring.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het hierna genoemde voorwerp verbeurd verklaren, nu dit voorwerp is gebruikt bij het plegen van de bewezen verklaarde feiten:
- 1 STK GSM (merk: POCO), voorwerpnummer: PL0100-2025221100-G1857331

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 46a, 47, 55, 131, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 8 (acht) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat veroordeelde voor het einde van of gedurende
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jarende hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

1. Veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

2. Veroordeelde laat zich behandelen door de forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich tenminste op agressieregulatie, het alcoholgebruik, diagnostiek en de daaruit voortvloeiende aandachtspunten. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Alcoholverbod

3. Veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Contactverbod
4. Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de hierna genoemde personen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt:
5. aangeefster [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1986
6. aangever [slachtoffer 2] geboren, [geboortedatum] 1975.
Een uitzondering mag worden gemaakt voor noodzakelijk indirect contact tussen veroordeelde en [slachtoffer 1] , indien dit contact ziet op de gezamenlijke kinderen van veroordeelde en [slachtoffer 1] . Het contact vindt in dat geval uitsluitend plaats met tussenkomst van een professionele hulpverleningsinstantie.

Locatieverbod met elektronische monitoring

5. Veroordeelde bevindt zich niet in de verboden gebieden te [plaats] en [plaats] , zoals aangegeven op afbeelding 1 en afbeelding 2, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatieverbod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting. Het locatieverbod duurt zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt (doch uiterlijk drie jaar, zijnde de duur van de proeftijd) maar de elektronische monitoring daarvan geldt voor de duur van maximaal een jaar.

Ambulante begeleiding

6. Veroordeelde laat zich op de praktische leefgebieden begeleiden door [instelling] , of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken die hier bij kunnen horen.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af.
Bepaalt dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Verklaart verbeurd:

- 1 STK GSM (merk: POCO), voorwerpnummer: PL0100-2025221100-G1857331
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2025.
Mr J.K.Qiu is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen