ECLI:NL:RBNNE:2025:5179

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
18/030570-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regiezitting in onderzoek Aurum met beslissingen over onderzoekswensen en voorlopige hechtenis

Op 16 oktober 2025 vond in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, een regiezitting plaats in het onderzoek Aurum, onder leiding van voorzitter mr. F. Sieders en de rechters mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis. Tijdens deze zitting werden beslissingen genomen over de onderzoekswensen van de verdediging en de voorlopige hechtenis van de verdachte. De verdachte, geboren in 1990, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsman en raadsvrouw, mr. M.C. Jonge Vos en mr. S. Plas. De officieren van justitie, mrs. S.M. von Bartheld en L. Lübbers, waren ook aanwezig.

De rechtbank behandelde de onderzoekswensen van de verdediging, waaronder het horen van medeverdachten en undercoveragenten. De rechtbank oordeelde dat het horen van medeverdachten van belang was voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank wees de verzoeken tot het horen van de zaaksofficier en de voormalig Minister van Justitie af, maar stond het horen van undercoveragenten en het verstrekken van geluidsopnames toe. De rechtbank besloot de voorlopige hechtenis van de verdachte te continueren, gezien de ernstige bezwaren die tegen hem bestonden.

De zitting werd geschorst voor onbepaalde tijd, met een nieuwe pro forma zitting gepland op 8 januari 2026. De rechtbank benadrukte het belang van het horen van getuigen en het waarborgen van de rechtsgang, terwijl de verdediging de gelegenheid kreeg om kennis te nemen van relevante bewijsstukken. De rechtbank stelde dat de beslissingen op de onderzoekswensen ook van toepassing waren op de medeverdachten, en dat de rechter-commissaris betrokken zou worden bij het verdere verloop van het onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/030570-25
proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 16 oktober 2025
Tegenwoordig:
mr. F. Sieders, voorzitter,
mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, en
mr. M.W. ten Brinke, griffier.
Als officieren van justitie zijn ter terechtzitting aanwezig mrs. S.M. von Bartheld en L. Lübbers.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling ] .
Als raadsman en raadsvrouw van verdachte zijn ter terechtzitting aanwezig mr. M.C. Jonge Vos en mr. S. Plas, advocaten te Amsterdam.
De behandeling van de zaak tegen de verdachte geschiedt -op praktische gronden- gelijktijdig met de behandeling van de zaken onder parketnummers 18/039092-25 en 18/030468-25 tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar zonder dat deze zaken worden gevoegd.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen van de procesdeelnemers steeds zakelijk weergegeven.
De
rechtbankhervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 30 juli 2025 bevond.
De
voorzittervermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen, deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat vandaag een regiezitting aan de orde is waarop de ingediende onderzoekswensen zullen worden besproken.
De
voorzitterdeelt het volgende mede:
De op voorgaande zittingen genomen beslissingen met betrekking tot het opnemen van de stemmen van de verdachten gelden ook vandaag, hetgeen met zich meebrengt dat de stemmen enkel vervormd mogen worden uitgezonden. Tijdens de inhoudelijke behandeling zal er opnieuw een afweging plaatsvinden. Verder is het einddossier gereed en verspreid en is er een nieuw PV regiezitting binnengekomen. Tevens is er op voorhand een vordering op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangekondigd.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, merkt desgevraagd op dat er hoogstwaarschijnlijk wel een vordering van de benadeelde partij zal volgen, maar die is op dit moment nog niet gereed.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, vordert vervolgens dat de door hem op schrift gestelde nadere omschrijving als bedoeld in artikel 314a Sv van de tenlastelegging zal worden toegelaten.
De
rechtbankwijst deze vordering toe, na de verdediging hierover te hebben gehoord, en past de tenlastelegging aan zoals in de vordering is omschreven. Deze vordering is aan het proces-verbaal gehecht en de inhoud daarvan dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Nadat de rechtbank heeft beslist dat daarmee kan worden volstaan, verstrekt de griffier een door hem gewaarmerkt afschrift van deze vordering aan de verdediging. Met toestemming van de verdediging wordt het onderzoek aanstonds voortgezet.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, draagt de zaak voor en deelt het volgende mede:
Het onderzoek is afgerond en het einddossier is verspreid. Het PV regiezitting is met name opgesteld vanwege de onderzoekswensen die namens de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn ingediend. Voor wat betreft de voorlopige hechtenis merk ik op dat er een overdaad aan bewijs tegen de verdachten ligt. De ernstige bezwaren zijn daarom onverkort aanwezig. Dat geldt ook voor de 12-jaarsgrond, de geschokte rechtsorde en de recidivegrond. De diefstal van de kunstschatten heeft een gigantische impact gehad en de gestolen goederen zijn nog steeds spoorloos. Deze kunstschatten vertellen een verhaal van de beschaving van ver voor de onze en de impact van de verdwijning daarvan is zeer groot. Ook weegt zwaar mee dat de verdachten ervoor kiezen om structureel te blijven zwijgen. Ten overvloede merk ik op dat een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv op dit moment absoluut nog niet aan de orde is. Ik verwijs daarbij naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2022 waarin voor een tweetal kunstroven een gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd. Het zijn niet geheel vergelijkbare zaken, maar in die zaak is bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van een explosief. De volgende pro forma staat gepland op 8 januari 2026. Ook zijn er al weken vrij gepland voor de uitvoering van de onderzoekswensen. Het voornemen is om op zoek te gaan naar inhoudelijke zittingsdata in maart of april van volgend jaar.
De
raadsman,
mr. Jonge Vos, deelt mede dat de verdediging geen verzoeken heeft ten aanzien van de voorlopige hechtenis.
De
voorzittermerkt op dat er namens de verdachten onderzoekswensen zijn ingediend en dat het Openbaar Ministerie daarop schriftelijk heeft gereageerd. Het verzoek is om de discussie te beperken tot de onderzoekswensen waar het Openbaar Ministerie zich tegen heeft verzet.
De
raadsman,
mr. Jonge Vos, voert het woord tot verdediging overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. In aanvulling voert hij het volgende aan:
Het is van belang dat wij als verdediging, ook samen met verdachte in de penitentiaire inrichting, in alle rust de beelden van het Drents Museum kunnen bekijken. Tevens merkt de verdediging op dat het beluisteren van de geluidsopnames van het undercovertraject eventueel kan leiden tot andere onderzoekswensen. Het beluisteren van de geluidsopnames is in ieder geval ook voor verdachte van groot belang omdat in het undercovertraject belastende verklaringen zijn afgelegd. Verder wijs ik nog op het richtinggevend arrest van de Hoge Raad uit 2014 waaruit volgt dat in de regiefase het verdedigingsbelang geldt en niet het noodzakelijkheidscriterium. Dat criterium geldt ook voor rechtmatigheidsgetuigen. Verder handhaaft de verdediging haar verzoeken met betrekking tot het horen van de begeleiders van de undercoveragenten, het horen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en ook het horen als getuige van de zaaksofficier, oud Minister van Justitie Van Weel en de teamleider van de politie. Wij verzetten ons niet tegen een half open verwijzing naar de rechter-commissaris.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,geeft aan dat het Openbaar Ministerie ongeveer drie kwartier nodig heeft om te kunnen reageren op hetgeen namens de verdachten is aangedragen.
De
voorzittergeeft de rechters, de officieren van justitie en de verdediging de gelegenheid tot het stellen van vragen.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,voert het woord aan de hand van een door hem op schrift gesteld requisitoir die aan dit proces-verbaal is gehecht. De inhoud van het requisitoir dient hier als ingevoegd te worden beschouwd.

De raadsvrouw, mr. Plas, reageert op het Openbaar Ministerie als volgt:

Anders dan het Openbaar Ministerie is de verdediging wel van mening dat zij buitenspel is gezet. Verdachte is bezocht door verbalisanten van het Team Bijzondere Getuigen en daarna zijn wij pas ingelicht. Dat is geen transparante manier van handelen. Voor wat betreft het horen van oud Minister van Justitie Van Weel nog het volgende. Hij heeft in een interview gezegd dat deze verdachten in het museum zijn geweest en daarmee de suggestie gewekt dat deze verdachten weten waar de buit ligt. Gelet op die uitspraken is er wel degelijk sprake van een begin van aannemelijkheid dat de oud Minister van Justitie betrokken is geweest bij onderhavig onderzoek. Wij persisteren daarom bij de onderzoekswens om Van Weel als getuige te horen. Dat geldt ook voor het horen van de zaaksofficier en teamleider van de politie. De verdediging wil kunnen onderzoek of er pressiemiddelen zijn ingezet en of daarmee het pressieverbod is overtreden. De officier van justitie heeft aangeboden om een proces-verbaal op te maken over de urgente veiligheidsverhoren en de opsporingsberichtgeving. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt echter dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen om de getuige te kunnen horen en dat een schriftelijk proces-verbaal geen alternatief kan zijn voor het horen van iemand als getuige. Het schriftelijke standpunt zoals door het Openbaar Ministerie is ingenomen met betrekking tot het horen van de zaaksofficier gaat niet op voor de Minister van Justitie en de teamleider van de politie. Tevens is anders dan de officier van justitie naar voren heeft gebracht wel degelijk sprake van een bijzondere geval waarin de zaaksofficier kan worden gehoord. De bijzonderheid van de zaak volgt uit de combinatie van het urgent veiligheidsverhoor, de keuze die aan de verdachten is voorgehouden ten aanzien van het plaatsen van hun foto en naam in de media en een interview door de oud Minister van Justitie.

Verdachte verklaart:

Ik heb wel een verzoek aan de officier van justitie om te minderen waar hij mee bezig is. Ik vind dat de officier zijn boekje te buiten gaat en vooral mijn familie heeft daar echt last van.

De officier van justitie, mr. Von Bartheld, deelt het volgende mede:

In de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie is als uitgebreid verwezen naar een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een officier van justitie niet wordt gehoord als getuige. Hierop wordt slechts in bijzondere gevallen een uitzondering gemaakt. De urgente veiligheidsverhoren en de opsporingsberichtgeving zijn niet dusdanige bijzondere omstandigheden waardoor op deze regel een uitzondering kan worden gemaakt. Verder moet het verzoek worden afgewezen als het verzoek er slechts toe strekt om de zaaksofficier verantwoording af te laten leggen over de in de onderhavige zaak door hem genomen beslissingen en gepleegde verrichtingen, zonder dat beoogd wordt hem te laten horen omtrent hetgeen door hem als getuige is waargenomen of ondervonden.

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De
rechtbanktrekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De
voorzitterdeelt vervolgens de beslissingen op de onderzoekswensen mede en geeft daarbij aan dat de beslissingen op de onderzoekswensen gelden in de zaken van zowel verdachte als de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
1) Horen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als getuige
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel dat een (nadere) bevraging van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal het horen van deze getuigen daarom toewijzen.
2) Horen van undercoveragenten en begeleiders als getuige
De rechtbank is van oordeel dat een (nadere) bevraging van de undercoveragenten, te weten [nummer] , [nummer] en [nummer] , en de begeleiders van de undercoveragenten, te weten [nummer] en [nummer] , van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. Nu het Openbaar Ministerie zich heeft verzet tegen het horen van de begeleiders overweegt de rechtbank daartoe het volgende. Door mr. Meijering, advocaat van medeverdachte [medeverdachte 1] , is geciteerd uit de uitgewerkte OVC gesprekken van de undercoveracties. Of sprake is geweest van bedreiging of wederrechtelijke vrijheidsberoving is een conclusie die op dit moment niet getrokken kan worden. Gelet daarop is het echter wel van belang dat het duidelijk wordt welke instructies de undercoveragenten hebben gehad van de begeleiders, mede voor de toetsing van de rechtmatigheid van het undercovertraject. De rechtbank zal het horen van deze getuigen daarom toewijzen, met inachtneming van artikel 190 Sv zodat deze getuigen niet herkenbaar in beeld zullen komen.
3) Verstrekken geluidsopnames undercovertraject
De rechtbank is van oordeel dat er voor de verdediging een belang bestaat om kennis te kunnen nemen van de opgenomen gesprekken die zijn gevoerd door de undercoveragenten met medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank ziet ook het belang zoals door de officier van justitie is aangevoerd - namelijk de veiligheid en afscherming van de undercoveragenten - en is daarom van oordeel dat het op dit moment te ver gaat om alle opnames te verstrekken. De verdediging zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om op het politiebureau kennis te nemen van de geluidsopnames. Als er vervolgens door de verdediging een beroep wordt gedaan op eventuele ontoelaatbaarheden die in de opnames naar voren komen, moeten deze opnames aan het dossier worden toegevoegd omdat de rechtbank hier dan ook kennis van zal moeten nemen. Het is van belang dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om vóór 8 januari 2026 kennis te kunnen nemen van de geluidsopnames zodat op de volgende pro forma zitting gesproken kan worden over het eventueel toevoegen van de geluidsopnames aan het dossier. De rechtbank bepaalt dat ook medeverdachte [medeverdachte 1] in de gelegenheid moet worden gesteld om kennis te kunnen nemen van die geluidsopnames. Op welke manier dit dient te gebeuren laat de rechtbank in het midden. Dit zou kunnen door het verstrekken van een USB-stick maar ook door bijvoorbeeld medeverdachte [medeverdachte 1] te lichten en hem op het politiebureau kennis laten nemen van de opnames.
4) Horen van zaaksofficier als getuigeDe rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die met zich meebrengen dat de zaaksofficier van justitie als getuige dient te worden gehoord. De rechtbank ziet wel het belang van de verdediging om meer toelichting te krijgen over de totstandkoming van de beslissing om over te gaan tot urgente veiligheidsverhoren en het uit laten gaan van de opsporingsberichten, maar is van oordeel dat een minder ingrijpend alternatief, namelijk het laten opstellen van een uitgebreid proces-verbaal door de zaaksofficier, volstaat. De rechtbank verzoekt aan de zaaksofficier om in dit proces-verbaal in te gaan op de beslissing tot het inzetten van de opsporingsberichtgeving en de gronden waarop deze beslissing is genomen. Tevens zou in dit proces-verbaal aan de orde moeten komen waarom ervoor gekozen is om meerdere urgente veiligheidsverhoren plaats te laten vinden alsmede de gronden waarop die beslissing is genomen. Tevens is van belang dat daarbij wordt aangegeven wie bij de totstandkoming van die beslissing betrokken is geweest en in hoeverre deze beslissingen zijn genomen op het niveau van het parket Noord-Nederland en/of het Parket-Generaal hierbij betrokken is geweest. Daarnaast wil de rechtbank in dit proces-verbaal geïnformeerd worden in hoeverre de voormalig Minister van Justitie D.M. van Weel betrokken is geweest of inmenging heeft gehad.
5) Horen van teamleider politie en minister van justitie als getuige
De rechtbank is van oordeel dat het horen van de teamleider van de politie, [naam] , en het horen van de voormalig Minister van Justitie, D.M. van Weel, niet van belang zijn voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom de verzoeken afwijzen.
6) Verstrekken camerabeelden Drents Museum
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel de camerabeelden van het Drents Museum kunnen worden verstrekt aan de verdediging. De rechtbank zal het verzoek tot verstrekking van de camerabeelden daarom toewijzen en bepalen dat deze beelden ook aan het dossier worden toegevoegd.
7) Horen van officier van justitie van het ‘Team Bijzondere Getuige’ als getuigeDe rechtbank is van oordeel dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen als getuige van de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuige relevant is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Verwijzen rechter-commissaris
De toegewezen verzoeken zullen gesloten worden verwezen naar de rechter-commissaris omdat de rechtbank zelf zicht wil houden op het verloop van het onderzoek en de uitvoering van de onderzoekswensen. Voor wat betreft het horen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] geldt dat deze getuigen ook nog de status van verdachte hebben. Het staat de rechter-commissaris daarom vrij om op voorhand na te gaan of de getuigen van plan zijn om zich te beroepen op hun verschoningsrecht. Als dat het geval is, kan de rechter-commissaris afzien van het plannen van het verhoor, met eventueel de aantekening in het proces-verbaal dat de verdediging geen afstand van deze getuige doet.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat ernstige bezwaren en de gronden - die door de verdediging niet zijn bestreden - onverkort van toepassing zijn. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis continueren.
Aanhouden van de zaak
De
rechtbankschorst vervolgens het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, doch maximaal 3 maanden, waarbij de insteek is dat de onderhavige zaak op 8 januari 2026 om 10:30 uur opnieuw pro forma zal worden behandeld. De reden om langer dan een maand aan te houden bestaat hierin dat niet te verwachten is dat het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere behandeling toelaat.
De
rechtbankstelt vervolgens de stukken in handen van de rechter-commissaris in deze rechtbank om de navolgende personen als getuige te horen:

[medeverdachte 1] ,geboren [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] , thans gedetineerd te [instelling ] ;

[medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ;
 Politoneel-inwinner [nummer] ;
 Politioneel-inwinner [nummer] ;
 Politioneel-inwinner [nummer] ;
 Begeleider [nummer] ;
 Begeleider [nummer] .
De
voorzitterbeveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen terechtzitting en tijdstip met kennisgeving daarvan aan de raadslieden van verdachte.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.