ECLI:NL:RBNNE:2025:5178

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
18/039092-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regiezitting in onderzoek Aurum met beslissingen over onderzoekswensen en voorlopige hechtenis

Op 16 oktober 2025 vond een regiezitting plaats in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, in het onderzoek Aurum. De zaak betreft een verdachte die gedetineerd is en wordt bijgestaan door advocaten. Tijdens de zitting werden verschillende onderzoekswensen besproken, waaronder het horen van undercoveragenten en het verstrekken van geluidsopnames van undercoveracties. De officier van justitie, mr. S.M. von Bartheld, vorderde dat de nadere omschrijving van de tenlastelegging zou worden toegelaten. De rechtbank besloot de vordering toe te wijzen en de tenlastelegging aan te passen. De verdediging uitte zorgen over de rechtmatigheid van de opsporingsmethoden en vroeg om duidelijkheid over de betrokkenheid van de AIVD. De rechtbank oordeelde dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn en besloot de voorlopige hechtenis te continueren. De zaak werd aangehouden tot 8 januari 2026 voor een pro forma zitting, waarbij de rechtbank ook de uitvoering van de onderzoekswensen door de rechter-commissaris in de gaten wil houden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/039092-25
proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 16 oktober 2025
Tegenwoordig:
mr. F. Sieders, voorzitter,
mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, en mr. M.W. ten Brinke, griffier.
Als officieren van justitie zijn ter terechtzitting aanwezig mrs. S.M. von Bartheld en L. Lübbers.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Als raadsman en raadsvrouw van verdachte zijn ter terechtzitting aanwezig mr. N.C.J. Meijering en mr.
M.A. Dijk, advocaten te Amsterdam.
De behandeling van de zaak tegen de verdachte geschiedt -op praktische gronden- gelijktijdig met de behandeling van de zaken onder parketnummers 18/030570-25 en 18/030468-25 tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar zonder dat deze zaken worden gevoegd.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen van de procesdeelnemers steeds zakelijk weergegeven.
De
rechtbankhervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 30 juli 2025 bevond.
De
voorzittervermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen, deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat vandaag een regiezitting aan de orde is waarop de ingediende onderzoekswensen zullen worden besproken.
De
voorzitterdeelt het volgende mede:
De op voorgaande zittingen genomen beslissingen met betrekking tot het opnemen van de stemmen van de verdachten gelden ook vandaag, hetgeen met zich meebrengt dat de stemmen enkel vervormd mogen worden uitgezonden. Tijdens de inhoudelijke behandeling zal er opnieuw een afweging plaatsvinden.
Verder is het einddossier gereed en verspreid en is er een nieuw PV regiezitting binnengekomen. Tevens is er op voorhand een vordering op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangekondigd.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, merkt desgevraagd op dat er hoogstwaarschijnlijk wel een vordering van de benadeelde partij zal volgen, maar die is op dit moment nog niet gereed.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, vordert vervolgens dat de door hem op schrift gestelde nadere omschrijving als bedoeld in artikel 314a Sv van de tenlastelegging zal worden toegelaten.
De
rechtbankwijst deze vordering toe, na de verdediging hierover te hebben gehoord, en past de tenlastelegging aan zoals in de vordering is omschreven. Deze vordering is aan het proces-verbaal gehecht en de inhoud daarvan dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Nadat de rechtbank heeft beslist dat daarmee kan worden volstaan, verstrekt de griffier een door hem gewaarmerkt afschrift van deze vordering aan de verdediging. Met toestemming van de verdediging wordt het onderzoek aanstonds voortgezet.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, draagt de zaak voor en deelt het volgende mede:
Het onderzoek is afgerond en het einddossier is verspreid. Het PV regiezitting is met name opgesteld vanwege de onderzoekswensen die namens de verdediging van verdachte zijn ingediend. Voor wat betreft de voorlopige hechtenis merk ik op dat er een overdaad aan bewijs tegen de verdachten ligt. De ernstige bezwaren zijn daarom onverkort aanwezig. Dat geldt ook voor de 12-jaarsgrond, de geschokte rechtsorde en de recidivegrond. De diefstal van de kunstschatten heeft een gigantische impact gehad en de gestolen goederen zijn nog steeds spoorloos. Deze kunstschatten vertellen een verhaal van de beschaving van ver voor de onze en de impact van de verdwijning daarvan is zeer groot. Ook weegt zwaar mee dat de verdachten ervoor kiezen om structureel te blijven zwijgen. Ten overvloede merk ik op dat een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv op dit moment absoluut nog niet aan de orde is. Ik verwijs daarbij naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2022 waarin voor een tweetal kunstroven een gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd. Het zijn niet geheel vergelijkbare zaken, maar in die zaak is bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van een explosief. De volgende pro forma staat gepland op 8 januari 2026. Ook zijn er al weken vrij gepland voor de uitvoering van de onderzoekswensen. Het voornemen is om op zoek te gaan naar inhoudelijke zittingsdata in maart of april van volgend jaar.
De
raadsman,
mr. Meijering, deelt mede dat de verdediging geen verzoeken heeft ten aanzien van de voorlopige hechtenis.
De
voorzittermerkt op dat er namens de verdachten onderzoekswensen zijn ingediend en dat het Openbaar Ministerie daarop schriftelijk heeft gereageerd. Het verzoek is om de discussie te beperken tot de onderzoekswensen waar het Openbaar Ministerie zich tegen heeft verzet.

De raadsman, mr. Meijering, deelt het volgende mede:

De verdediging heeft toch nog een aantal aanvullende onderzoekswensen gelet op de ontwikkelingen sinds het indienen van de onderzoekswensen. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen het horen van de drie undercoveragenten, maar wel tegen het horen van de twee begeleiders. De verdediging heeft ook nog een aantal vragen aan het Openbaar Ministerie waar zij graag antwoord op zou willen krijgen. Aan de hand daarvan kunnen onderzoekswensen worden ingeperkt of aangescherpt. Eerst zullen wij stil staan bij de drie methodes dan wel bijzonderheden die zijn toegepast in onderhavige strafzaak. Bij de medeverdachten is sprake geweest van zogeheten urgente veiligheidsverhoren. Die veiligheidsverhoren zijn zodanig ingericht dat de advocaten niet zijn uitgenodigd om bij die verhoren aanwezig te zijn. Deze methode raakt aan het verdrag waarin het verdedigingsrecht is opgenomen. Tevens is het recht op een advocaat vastgelegd in de wet en ook bevestigd door de Hoge Raad. Verder is verdachte [verdachte] in een undercovertraject volop het target geweest van onderzoek. Bij de verdediging bestaan zorgen over hoe de wijze van opsporing, zoals door het Openbaar Ministerie is toegepast, zich verhoudt tot de regelen der kunst, de jurisprudentie en de verdragen. Vorige week hebben wij een mail ontvangen van de zaaksofficier van justitie namens het Team Bijzondere Getuigen (hierna: TBG) waarin werd vermeld dat verdachte die dag zou zijn bezocht of worden bezocht door verbalisanten van de politie. De zaaksofficier heeft daarbij vermeld dat hij verder niet betrokken is bij dit traject. Het Openbaar Ministerie deelt deze informatie pas met ons op het moment dat het voor de verdediging niet meer mogelijk is om bij dit gesprek met het TBG aanwezig te zijn en verdachte bij te staan. De belangen van verdachte zijn aan ons toevertrouwd en als wij op deze manier worden geconfronteerd met dergelijke informatie dan is het
onmogelijk om dat op een juiste wijze uit te voeren. Tevens is het volstrekt onduidelijk wat de bedoeling is van dit bijzondere getuigen traject, immers gaat het om een verdachte en niet een getuige. De verdediging wenst hier dan ook duidelijkheid over te krijgen en wil daarom de officier van justitie van het TBG horen, mede om helderheid te verschaffen over de intentie van het ingezette traject. Een andere vraag die bij de verdediging is opgekomen is of wij - en ook de verdediging van de medeverdachten - de verdediging nog wel goed kunnen voeren. Mijn collegas zijn op een zijspoor gebleven bij de urgente veiligheidsverhoren. Daarbij komt de hiervoor genoemde mail van het TBG waarbij wij enerzijds aan de kant worden geschoven en anderzijds ook in het duister tasten voor wat betreft de bedoeling van het traject. De verdediging - en ook mijn collegas - vraagt zich af hoeveel verder het nog zal gaan. Wij willen dan ook graag de zekerheid krijgen dat verdachte en de medeverdachten niet meer worden benaderd zonder dat wij tijdig in kennis worden gesteld. Ook is het duidelijk dat er staatsbelangen meespelen. Wij maken ons dan ook zorgen dat de AIVD, net zoals in twee andere recente strafzaken, meeluistert met de gesprekken tussen ons en verdachte. Wij willen dan ook graag van de zaaksofficier horen of de AIVD is ingeschakeld, en zo ja, of zij daarmee kunnen stoppen en of aan ons gegarandeerd kan worden dat wij in volledig vertrouwen kunnen communiceren. Vervolgens heeft de verdediging nog een aantal opmerkingen over het undercovertraject. Verdachte betwist niet zo zeer dat hij heeft gesproken met de drie undercoveragenten, maar wel de wijze waarop dat heeft plaatsgevonden. Zowel in non-verbale als in verbale zin zijn bedreigingen geuit door de undercovers. Ik wijs daarbij op de uitlatingen zoals uitgewerkt op paginas 46, 78, 79 en 81 in het proces-verbaal voor deze regiezitting. Tevens is sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving omdat verdachte op 5 maart 2025 gedwongen is om een auto in te stappen. De opgemaakte verslagen door de undercoveragenten zijn zakelijk en beknopt weergegeven en volgens de verdediging zit er licht tussen de manier van opschrijven en de daadwerkelijke wijze van benaderen. De verdediging wil daarom ook de begeleiders van de undercovers horen om te kunnen bepalen of zij sturend zijn geweest in de wijze waarop verdachte en zijn broertje zijn benaderd.
Uiteindelijk is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor het overschrijden van de grenzen door de undercoveragenten en in dat geval komen wij in de sfeer terecht van artikel 359a Sv. De niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie komt zeker in beeld als er is aangestuurd en opdracht gegeven voor het op deze wijze benaderen van jongens van achttien en twintig jaar oud. De verdediging acht het tevens van belang dat zij zelf kennis kan nemen van de opnames van de undercoveracties. Het uitluisteren van de opnames op het politiebureau is erg bewerkelijk en heeft ook enige schijn van wantrouwen richting de advocatuur, namelijk dat wij de opnamen ergens zullen laten belanden waar het niet moet horen. Het verzoek is daarom om de opnames aan ons kantoor toe te sturen en wij zouden indien nodig er zelfs voor willen tekenen dat de opnames ons kantoor niet zullen verlaten. Tot slot verzoeken wij om alle geluidsopnames te verstrekken aan verdachte middels een USB-stick of op een andere wijze. Hij is onderdeel geweest van de gesprekken, zou daarbij dingen kunnen verstaan die wij niet horen omdat wij er niet bij waren.
De
raadsman,
mr. Meijering, geeft desgevraagd aan dat de korte onderbreking niet heeft geleid tot andere onderzoekswensen.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,geeft aan dat het Openbaar Ministerie ongeveer drie kwartier nodig heeft om te kunnen reageren op hetgeen namens de verdachten is aangedragen.
De
voorzittergeeft de rechters, de officieren van justitie en de verdediging de gelegenheid tot het stellen van vragen.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,voert het woord aan de hand van een door hem op schrift gesteld requisitoir die aan dit proces-verbaal is gehecht. De inhoud van het requisitoir dient hier als ingevoegd te worden beschouwd.

De raadsman, mr. Meijering, reageert op het Openbaar Ministerie als volgt:

De verdediging is van mening dat de undercoveragenten verdachte hebben bedreigd en dat sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving. In het verlengde daarvan hecht verdachte eraan om nog te wijzen op de passages zoals uitgewerkt op paginas 36, 41, 47 en 64 in het proces-verbaal voor deze regiezitting. Over het TBG traject heeft de zaaksofficier gezegd dat het Openbaar Ministerie wel verantwoordelijk is maar dat hij er niks over kan zeggen en niet over dat traject gaat. Die opvatting gaat knellen met de beginselen van het Wetboek Strafvordering en het horen van de officier van het TBG is daarom wel degelijk van belang voor de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Ook blijft de angst bestaan dat er met de gesprekken tussen de ons en verdachte wordt meegeluisterd door de AIVD waardoor wij niet in rust de verdediging kunnen bepalen. Verdachte heeft niet betwist, noch bevestigd dat hij in het museum is geweest. Dit is een conclusie die de undercoveragenten hebben getrokken aan de hand van de uitspraken van verdachte. Aanvankelijk heeft hij gezegd dat hij niet binnen is geweest en op een later moment zou hij hebben gezegd dat hij toch het museum is binnengedrongen. Met betrekking tot de geluidsopnames heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vrees bestaat dat de undercoveragenten kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van de vervormde geluidsopnames. Verdachte heeft al met deze personen gesproken en het opnieuw horen van die stemmen zou dus niks toevoegen aan het risico op ontmanteling van de identiteit. De verdediging heeft verder geen belang bij het omvormen van de stemmen van de undercoveragenten. Het verzoek tot het verstrekken van de geluidsopnames aan de verdediging en aan verdachte wordt daarom gehandhaafd.

De officier van justitie, mr. Von Bartheld, deelt het volgende mede:

In de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie is als uitgebreid verwezen naar een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een officier van justitie niet wordt gehoord als getuige. Hierop wordt slechts in bijzondere gevallen een uitzondering gemaakt. De urgente veiligheidsverhoren en de opsporingsberichtgeving zijn niet dusdanige bijzondere omstandigheden waardoor op deze regel een uitzondering kan worden gemaakt. Verder moet het verzoek worden afgewezen als het verzoek er slechts toe strekt om de zaaksofficier verantwoording af te laten leggen over de in de onderhavige zaak door hem genomen beslissingen en gepleegde verrichtingen, zonder dat beoogd wordt hem te laten horen omtrent hetgeen door hem als getuige is waargenomen of ondervonden.

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De
rechtbanktrekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort.
De
voorzittervraagt aan verdachte [verdachte] of hij zich zal beroepen op zijn verschoningsrecht indien hij in de zaken van de medeverdachten door de rechter-commissaris zal worden gehoord.

Verdachte verklaart:

Ik blijf mij beroepen op mijn zwijgrecht.
De
raadsman,
mr. Meijering, merkt op dat het verstandig is dat de rechter-commissaris tegen die tijd nog een keer op de lijn komt bij de verdediging.
De
rechtbanktrekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De
voorzitterdeelt vervolgens de beslissingen op de onderzoekswensen mede en geeft daarbij aan dat de beslissingen op de onderzoekswensen gelden in de zaken van zowel verdachte als de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
1.
​Horen van medeverdachte [medeverdachte 3] als getuige
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel dat een (nadere) bevraging van medeverdachte [medeverdachte 3] van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal het horen van deze getuige daarom toewijzen.
2) ​
​Horen van undercoveragenten en begeleiders als getuige
De rechtbank is van oordeel dat een (nadere) bevraging van de undercoveragenten, te weten [nummer] , [nummer] en [nummer] , en de begeleiders van de undercoveragenten, te weten [nummer] en [nummer] , van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. Nu het Openbaar Ministerie zich heeft verzet tegen het horen van de begeleiders overweegt de rechtbank daartoe het volgende. Door mr. Meijering is geciteerd uit de uitgewerkte OVC gesprekken van de undercoveracties. Of sprake is geweest van bedreiging of wederrechtelijke vrijheidsberoving is een
conclusie die op dit moment niet getrokken kan worden. Gelet daarop is het echter wel van belang dat het duidelijk wordt welke instructies de undercoveragenten hebben gehad van de begeleiders, mede voor de toetsing van de rechtmatigheid van het undercovertraject. De rechtbank zal het horen van deze getuigen daarom toewijzen, met inachtneming van artikel 190 Sv zodat deze getuigen niet herkenbaar in beeld zullen komen.
3) ​
​Verstrekken geluidsopnames undercovertraject
De rechtbank is van oordeel dat er voor de verdediging een belang bestaat om kennis te kunnen nemen van de opgenomen gesprekken die zijn gevoerd door de undercoveragenten met verdachte [verdachte] . De rechtbank ziet ook het belang zoals door de officier van justitie is aangevoerd - namelijk de veiligheid en afscherming van de undercoveragenten - en is daarom van oordeel dat het op dit moment te ver gaat om alle opnames te verstrekken. De verdediging zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om op het politiebureau kennis te nemen van de geluidsopnames. Als er vervolgens door de verdediging een beroep wordt gedaan op eventuele ontoelaatbaarheden die in de opnames naar voren komen, moeten deze opnames aan het dossier worden toegevoegd omdat de rechtbank hier dan ook kennis van zal moeten nemen. Het is van belang dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om vóór 8 januari 2026 kennis te kunnen nemen van de geluidsopnames zodat op de volgende pro forma zitting gesproken kan worden over het eventueel toevoegen van de geluidsopnames aan het dossier. De rechtbank bepaalt dat ook verdachte [verdachte] in de gelegenheid moet worden gesteld om kennis te kunnen nemen van die geluidsopnames. Op welke manier dit dient te gebeuren laat de rechtbank in het midden. Dit zou kunnen door het verstrekken van een USB-stick maar ook door bijvoorbeeld verdachte [verdachte] te lichten en hem op het politiebureau kennis laten nemen van de opnames.
4) ​
​Horen van zaaksofficier als getuige
De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die met zich meebrengen dat de zaaksofficier van justitie als getuige dient te worden gehoord. De rechtbank ziet wel het belang van de verdediging om meer toelichting te krijgen over de totstandkoming van de beslissing om over te gaan tot urgente veiligheidsverhoren en het uit laten gaan
van de opsporingsberichten, maar is van oordeel dat een minder ingrijpend alternatief, namelijk het laten opstellen van een uitgebreid proces-verbaal door de zaaksofficier, volstaat. De rechtbank verzoekt aan de zaaksofficier om in dit proces-verbaal in te gaan op de beslissing tot het inzetten van de opsporingsberichtgeving en de gronden waarop deze beslissing is genomen. Tevens zou in dit proces-verbaal aan de orde moeten komen waarom ervoor gekozen is om meerdere urgente veiligheidsverhoren plaats te laten vinden alsmede de gronden waarop die beslissing is genomen. Tevens is van belang dat daarbij wordt aangegeven wie bij de totstandkoming van die beslissing betrokken is geweest en in hoeverre deze beslissingen zijn genomen op het niveau van het parket Noord-Nederland en/of het Parket-Generaal hierbij betrokken is geweest. Daarnaast wil de rechtbank in dit proces-verbaal geïnformeerd worden in hoeverre de voormalig Minister van Justitie D.M. van Weel betrokken is geweest of inmenging heeft gehad.
5) ​
​Horen van teamleider politie en minister van justitie als getuige
De rechtbank is van oordeel dat het horen van de teamleider van de politie, [naam] , en het horen van de voormalig Minister van Justitie, D.M. van Weel, niet van belang zijn voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom de verzoeken afwijzen.
6) ​
​Verstrekken camerabeelden Drents Museum
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel de camerabeelden van het Drents Museum kunnen worden verstrekt aan de verdediging. De rechtbank zal het verzoek tot verstrekking van de camerabeelden daarom toewijzen en bepalen dat deze beelden ook aan het dossier worden toegevoegd.
7) ​
​Horen van officier van justitie van het Team Bijzondere Getuige als getuige
De rechtbank is van oordeel dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen als getuige van de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuige relevant is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Verwijzen rechter-commissaris
De toegewezen verzoeken zullen gesloten worden verwezen naar de rechter-commissaris omdat de rechtbank zelf zicht wil houden op het verloop van het onderzoek en de uitvoering van de onderzoekswensen. Voor wat betreft het horen van medeverdachte [medeverdachte 3] geldt dat deze getuige ook nog de status van verdachte heeft. Het staat de rechter-commissaris daarom vrij om op voorhand na te gaan of de getuige van plan is om zich te beroepen op zijn verschoningsrecht. Als dat het geval is, kan de rechter-commissaris afzien van het plannen van het verhoor, met eventueel de aantekening in het proces-verbaal dat de verdediging geen afstand van deze getuige doet.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat ernstige bezwaren en de gronden - die door de verdediging niet zijn bestreden - onverkort van toepassing zijn. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis continueren.
Aanhouden van de zaak
De
rechtbankschorst vervolgens het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, doch maximaal 3 maanden, waarbij de insteek is dat de onderhavige zaak op 8 januari 2026 om 10:30 uur opnieuw pro forma zal worden behandeld. De reden om langer dan een maand aan te houden bestaat hierin dat niet te verwachten is dat het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere behandeling toelaat.
De
rechtbankstelt vervolgens de stukken in handen van de rechter-commissaris in deze rechtbank om de navolgende personen als getuige te horen:
[medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ;
Politoneel-inwinner [nummer] ; Politioneel-inwinner [nummer] ; Politioneel-inwinner [nummer] ; Begeleider [nummer] ; Begeleider [nummer] .
De
voorzitterbeveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen terechtzitting en tijdstip met kennisgeving daarvan aan de raadslieden van verdachte.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.