ECLI:NL:RBNNE:2025:5177

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
18/030468-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Regiezitting in de strafzaak Aurum met betrekking tot voorlopige hechtenis en onderzoekswensen

Op 16 oktober 2025 vond een regiezitting plaats in de strafzaak Aurum, waarbij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, de voorlopige hechtenis van de verdachte besprak. De zitting werd geleid door voorzitter mr. F. Sieders, bijgestaan door mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis. De verdachte, geboren in 1989, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P. van der Graaf. Tijdens de zitting werden verschillende onderzoekswensen besproken, waaronder het horen van medeverdachten en undercoveragenten. De officier van justitie, mr. S.M. von Bartheld, vorderde dat de tenlastelegging zou worden aangepast en dat de onderzoekswensen van de verdediging zouden worden beoordeeld. De rechtbank besloot dat er voldoende ernstige bezwaren waren om de voorlopige hechtenis van de verdachte te continueren. De zaak werd aangehouden tot 8 januari 2026 voor een pro forma zitting, waarbij de rechtbank de uitvoering van de onderzoekswensen onder toezicht van de rechter-commissaris wilde houden. De rechtbank gaf aan dat de verdachte en medeverdachten in de gelegenheid moesten worden gesteld om kennis te nemen van geluidsopnames van undercoveracties, maar dat de veiligheid van de undercoveragenten ook gewaarborgd moest blijven. De rechtbank weigerde enkele verzoeken van de verdediging, waaronder het horen van de zaaksofficier als getuige, en oordeelde dat de betrokkenheid van de AIVD en MIVD niet relevant was voor de zaak. De zitting eindigde met de mededeling dat de stukken in handen van de rechter-commissaris zouden worden gesteld voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/030468-25
proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 16 oktober 2025
Tegenwoordig:
mr. F. Sieders, voorzitter,
mr. R.B. Maring en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, en mr. M.W. ten Brinke, griffier.
Als officieren van justitie zijn ter terechtzitting aanwezig mrs. S.M. von Bartheld en L. Lübbers.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht.
De behandeling van de zaak tegen de verdachte geschiedt -op praktische gronden- gelijktijdig met de behandeling van de zaken onder parketnummers 18/030570-25 en 18/039092-25 tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar zonder dat deze zaken worden gevoegd.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen van de procesdeelnemers steeds zakelijk weergegeven.
De
rechtbankhervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 30 juli 2025 bevond.
De
voorzittervermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen, deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat vandaag een regiezitting aan de orde is waarop de ingediende onderzoekswensen zullen worden besproken.
De
voorzitterdeelt het volgende mede:
De op voorgaande zittingen genomen beslissingen met betrekking tot het opnemen van de stemmen van de verdachten gelden ook vandaag, hetgeen met zich meebrengt dat de stemmen enkel vervormd mogen worden uitgezonden. Tijdens de inhoudelijke behandeling zal er opnieuw een afweging plaatsvinden.
Verder is het einddossier gereed en verspreid en is er een nieuw PV regiezitting binnengekomen. Tevens is er op voorhand een vordering op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangekondigd.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, merkt desgevraagd op dat er hoogstwaarschijnlijk wel een vordering van de benadeelde partij zal volgen, maar die is op dit moment nog niet gereed.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, vordert vervolgens dat de door hem op schrift gestelde nadere omschrijving als bedoeld in artikel 314a Sv van de tenlastelegging zal worden toegelaten.
De
rechtbankwijst deze vordering toe, na de verdediging hierover te hebben gehoord, en past de tenlastelegging aan zoals in de vordering is omschreven. Deze vordering is aan het proces-verbaal gehecht en de inhoud daarvan dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.
Nadat de rechtbank heeft beslist dat daarmee kan worden volstaan, verstrekt de griffier een door hem gewaarmerkt afschrift van deze vordering aan de verdediging. Met toestemming van de verdediging wordt
het onderzoek aanstonds voortgezet.
De
officier van justitie,
mr. Von Bartheld, draagt de zaak voor en deelt het volgende mede:
Het onderzoek is afgerond en het einddossier is verspreid. Het PV regiezitting is met name opgesteld vanwege de onderzoekswensen die namens de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn ingediend. Voor wat betreft de voorlopige hechtenis merk ik op dat er een overdaad aan bewijs tegen de verdachten ligt. De ernstige bezwaren zijn daarom onverkort aanwezig. Dat geldt ook voor de 12-jaarsgrond, de geschokte rechtsorde en de recidivegrond. De diefstal van de kunstschatten heeft een gigantische impact gehad en de gestolen goederen zijn nog steeds spoorloos. Deze kunstschatten vertellen een verhaal van de beschaving van ver voor de onze en de impact van de verdwijning daarvan is zeer groot. Ook weegt zwaar mee dat de verdachten ervoor kiezen om structureel te blijven zwijgen. Ten overvloede merk ik op dat een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv op dit moment absoluut nog niet aan de orde is. Ik verwijs daarbij naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2022 waarin voor een tweetal kunstroven een gevangenisstraf van acht jaren is opgelegd. Het zijn niet geheel vergelijkbare zaken, maar in die zaak is bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van een explosief. De volgende pro forma staat gepland op 8 januari 2026. Ook zijn er al weken vrij gepland voor de uitvoering van de onderzoekswensen. Het voornemen is om op zoek te gaan naar inhoudelijke zittingsdata in maart of april van volgend jaar.
De
raadsmandeelt mede dat de verdediging geen verzoeken heeft ten aanzien van de voorlopige hechtenis.
De
voorzittermerkt op dat er namens de verdachten onderzoekswensen zijn ingediend en dat het Openbaar Ministerie daarop schriftelijk heeft gereageerd. Het verzoek is om de discussie te beperken tot de onderzoekswensen waar het Openbaar Ministerie zich tegen heeft verzet.

De raadsman deelt het volgende mede:

Het doel heiligt de middelen in deze zaak en alles is uit de kast getrokken. De randen zijn opgezocht en ik durf wel te stellen dat er doelbewust grenzen zijn overschreden, hetgeen onder meer tot uiting is gekomen door de inzet van urgente veiligheidsverhoren. De opsporing is echter aan regels gebonden en het mag niet zo zijn dat die bewust worden overtreden en pas later wordt gekeken wat de consequenties daarvan zijn. Het verzoek vanuit de verdediging is om aan te sluiten bij de verhoren van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Hetzelfde geldt voor het horen van de undercoveragenten en de begeleiders. Het is van belang om de begeleiders te horen over de instructies die zij de undercoveragenten hebben meegegeven en met welk doel dit is gebeurd. Het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het verstrekken van de geluidsopnames van het undercovertraject zie ik als een motie van wantrouwen omdat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de verdediging de geluidsopnames naar buiten zou brengen. Ik wil daarbij opmerken dat vanuit ons geen stukken zijn verspreid naar de media. Verder is de verdediging bereid om zelfs te tekenen voor verzending en ontvangst van de geluidsopnames omdat het essentieel is dat wij hier kennis van kunnen nemen. Voor wat betreft de aanvullende onderzoekswensen die later zijn ingediend merk ik nog het volgende op. Het undercovertraject is op enig moment uitgebreid richting verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] . Mijn verzoek is om nader toe te lichten waar deze uitbreiding precies uit heeft bestaan. Het tweede aanvullende verzoek gaat over eventuele de betrokkenheid van onder andere de AIVD en MIVD, waardoor het voor ons als verdediging lastig is om vrijelijk te communiceren met verdachte. Ook op dit punt wil de verdediging duidelijkheid over de bemoeienis van de hiervoor genoemde instanties. Verder willen wij dat de JIT-overeenkomst wordt toegevoegd aan het procesdossier. Op die
manier krijgen wij duidelijkheid over wie erbij de totstandkoming van die overeenkomst betrokken zijn geweest en hoe deze overeenkomst is opgericht. Dit is allemaal van belang voor onder andere de toetsing van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid. De laatste aanvullende onderzoekswens ziet op het toevoegen van het LIRC proces-verbaal aan het procesdossier waarnaar wordt verwezen op pagina 1905 van het einddossier. Ook hierbij is het toevoegen van belang voor het onderzoek naar de ingezette opsporingsmethodes.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,geeft aan dat het Openbaar Ministerie ongeveer drie kwartier nodig heeft om te kunnen reageren op hetgeen namens de verdachten is aangedragen.
De
voorzittergeeft de rechters, de officieren van justitie en de verdediging de gelegenheid tot het stellen van vragen.
De
officier van justitie, mr. Von Bartheld,voert het woord aan de hand van een door hem op schrift gesteld requisitoir die aan dit proces-verbaal is gehecht. De inhoud van het requisitoir dient hier als ingevoegd te worden beschouwd.

De raadsman reageert op het Openbaar Ministerie als volgt:

Met de toelichting van de officier van justitie begrijp ik dat de uitbreiding van het undercovertraject eruit heeft bestaan dat er gepoogd is om medeverdachte [medeverdachte 2] in contact te brengen met verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] , hetgeen niet is geslaagd. De verdediging zal haar verzoek dan ook intrekken. Met betrekking tot de tweede aanvullende onderzoekswens breng ik naar voren dat uit andere strafzaken bekend is geworden dat de AIVD wel degelijk informatie deelt met het Openbaar Ministerie. Ik wil de officier van justitie daarom de volgende vraag voorleggen: heeft u dan wel een ambtsgenoot van u in het kader van het JIT opsporingsonderzoek Aurum overleg dan wel contact gehad met vertegenwoordigers dan wel medewerkers van de AIVD en/of de MIVD en/of buitenlandse geheime opsporingsdiensten. Het gaat daarbij om contact in de breedste zin van het woord. Als die vraag negatief kan worden beantwoord, dan kan deze onderzoekswens komen te vervallen. Ten aanzien van de derde en vierde aanvullende onderzoekswens gaat het over de informatie die door het LIRC van Roemeense opsporingsinstanties is verkregen over [naam 1] die is herkend op de camerabeelden van het museum. Het genoemde proces-verbaal JM158 verschaft geen duidelijkheid en dat roept vragen op. Ook in het kader van de JIT-overeenkomst die op dit moment geen onderdeel uitmaakt van het einddossier. De verdediging is van mening dat deze overeenkomst wel degelijk moet worden toegevoegd aan het dossier omdat het een rol speelt bij de verantwoording van bepaalde inzet van opsporingsmiddelen.

De officier van justitie, mr. Von Bartheld, deelt het volgende mede:

In de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie is als uitgebreid verwezen naar een arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een officier van justitie niet wordt gehoord als getuige. Hierop wordt slechts in bijzondere gevallen een uitzondering gemaakt. De urgente veiligheidsverhoren en de opsporingsberichtgeving zijn niet dusdanige bijzondere omstandigheden waardoor op deze regel een uitzondering kan worden gemaakt. Verder moet het verzoek worden afgewezen als het verzoek er slechts toe strekt om de zaaksofficier verantwoording af te laten leggen over de in de onderhavige zaak door hem genomen beslissingen en gepleegde verrichtingen, zonder dat beoogd wordt hem te laten horen omtrent hetgeen door hem als getuige is waargenomen of ondervonden. Het is verleidelijk om op de vraag van mr. Van der Graaf te reageren maar als ik antwoord dan kan zowel de hele opsporingsdienst als het Openbaar Ministerie opdraven als getuigen. Ik blijf erbij dat het niet relevant is
voor de vragen van artikel 348 en 350 Sv.

De raadsman reageert op het Openbaar Ministerie als volgt:

Ik heb de officier van justitie een zeer gerichte vraag gesteld en de officier wil daar geen antwoord op geven. Voor mij is dat een bevestiging dat het heeft plaatsgevonden. Dan ligt er ook extra druk bij de rechtbank om daar ook achter te komen.

Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De
rechtbanktrekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De
voorzitterdeelt vervolgens de beslissingen op de onderzoekswensen mede en geeft daarbij aan dat de beslissingen op de onderzoekswensen gelden in de zaken van zowel verdachte als de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
1.
​Horen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als getuige
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel dat een (nadere) bevraging van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal het horen van deze getuigen daarom toewijzen.
2) ​
​Horen van undercoveragenten en begeleiders als getuige
De rechtbank is van oordeel dat een (nadere) bevraging van de undercoveragenten, te weten [nummer] , [nummer] en [nummer] , en de begeleiders van de undercoveragenten, te weten [nummer] en [nummer] , van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. Nu het Openbaar Ministerie zich heeft verzet tegen het horen van de begeleiders overweegt de rechtbank daartoe het volgende. Door mr. Meijering, advocaat van medeverdachte [medeverdachte 2] , is geciteerd uit de uitgewerkte OVC gesprekken van de undercoveracties. Of sprake is geweest van bedreiging of wederrechtelijke vrijheidsberoving is een conclusie die op dit moment niet getrokken kan worden. Gelet daarop is het echter wel van belang dat het duidelijk wordt welke instructies de undercoveragenten hebben gehad van de begeleiders, mede voor de toetsing van de rechtmatigheid van
het undercovertraject. De rechtbank zal het horen van deze getuigen daarom toewijzen, met inachtneming van artikel 190 Sv zodat deze getuigen niet herkenbaar in beeld zullen komen.
3) ​
​Verstrekken geluidsopnames undercovertraject
De rechtbank is van oordeel dat er voor de verdediging een belang bestaat om kennis te kunnen nemen van de opgenomen gesprekken die zijn gevoerd door de undercoveragenten met medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank ziet ook het belang zoals door de officier van justitie is aangevoerd - namelijk de veiligheid en afscherming van de undercoveragenten - en is daarom van oordeel dat het op dit moment te ver gaat om alle opnames te verstrekken. De verdediging zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om op het politiebureau kennis te nemen van de geluidsopnames. Als er vervolgens door de verdediging een beroep wordt gedaan op eventuele ontoelaatbaarheden die in de opnames naar voren komen, moeten deze opnames aan het dossier worden toegevoegd omdat de rechtbank hier dan ook kennis van zal moeten nemen. Het is van belang dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om vóór 8 januari 2026 kennis te kunnen nemen van de geluidsopnames zodat op de volgende pro forma
zitting gesproken kan worden over het eventueel toevoegen van de geluidsopnames aan het dossier. De rechtbank bepaalt dat ook medeverdachte [medeverdachte 2] in de gelegenheid moet worden gesteld om kennis te kunnen nemen van die geluidsopnames. Op welke manier dit dient te gebeuren laat de rechtbank in het midden. Dit zou kunnen door het verstrekken van een USB-stick maar ook door bijvoorbeeld medeverdachte [medeverdachte 2] te lichten en hem op het politiebureau kennis laten nemen van de opnames.
4) ​
​Horen van zaaksofficier als getuige
De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die met zich meebrengen dat de zaaksofficier van justitie als getuige dient te worden gehoord. De rechtbank ziet wel het belang van de verdediging om meer toelichting te krijgen over de totstandkoming van de beslissing om over te gaan tot urgente veiligheidsverhoren en het uit laten gaan van de opsporingsberichten, maar is van oordeel dat een minder ingrijpend alternatief, namelijk het laten opstellen van een uitgebreid proces-verbaal door de zaaksofficier, volstaat. De rechtbank verzoekt aan de zaaksofficier om in dit proces-verbaal in te gaan op de beslissing tot het inzetten van de opsporingsberichtgeving en de gronden waarop deze beslissing is genomen. Tevens zou in dit proces-verbaal aan de orde moeten komen waarom ervoor gekozen is om meerdere urgente veiligheidsverhoren plaats te laten vinden alsmede de gronden waarop die beslissing is genomen. Tevens is van belang dat daarbij wordt aangegeven wie bij de totstandkoming van die beslissing betrokken is geweest en in hoeverre deze beslissingen zijn genomen op het niveau van het parket Noord-Nederland en/of het Parket-Generaal hierbij betrokken is geweest. Daarnaast wil de rechtbank in dit proces-verbaal geïnformeerd worden in hoeverre de voormalig Minister van Justitie D.M. van Weel betrokken is geweest of inmenging heeft gehad.
5) ​
​Horen van teamleider politie en minister van justitie als getuige
De rechtbank is van oordeel dat het horen van de teamleider van de politie, [naam 2] , en het horen van de voormalig Minister van Justitie, D.M. van Weel, niet van belang zijn voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom de verzoeken afwijzen.
6) ​
​Verstrekken camerabeelden Drents Museum
De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel de camerabeelden van het Drents Museum kunnen worden verstrekt aan de verdediging. De rechtbank zal het verzoek tot verstrekking van de camerabeelden daarom toewijzen en bepalen dat deze beelden ook aan het dossier worden toegevoegd.
7) ​
​Horen van officier van justitie van het Team Bijzondere Getuige als getuige
De rechtbank is van oordeel dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom het horen als getuige van de officier van justitie van het Team Bijzondere Getuige relevant is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
8) ​
​Proces-verbaal over uitbreiding heimelijk traject
De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ter zitting heeft toegelicht dat in de eerste plaats het heimelijke traject enkel gericht is geweest op medeverdachte [medeverdachte 2] . Het heimelijk traject is vervolgens uitgebreid in die zin dat gepoogd is om medeverdachte [medeverdachte 2] in contact te brengen met verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] . Nu de raadsman ter zitting zijn verzoek heeft ingetrokken hoeft de rechtbank hieromtrent geen beslissing te nemen.
9) ​
​Proces-verbaal betrokkenheid AIVD/MIVD/andersoortige opsporingsinstantie
De rechtbank is van oordeel dat het opmaken van een proces-verbaal over de mogelijke betrokkenheid bij onderhavig onderzoek van de AIVD, MIVD, dan wel andersoortige (buitenlandse) opsporingsinstanties niet van belang is voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
10) ​
​Toevoegen JIT-overeenkomst aan het dossier
De rechtbank is eveneens van oordeel dat het toevoegen van de JIT-overeenkomst aan het dossier niet van belang is voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. De overeenkomst ziet in zijn algemeenheid op de samenwerking tussen Nederland en Roemenië en niet op de inzet van specifieke opsporingsbevoegdheden. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
11) ​
​Toevoegen LIRC proces-verbaal aan het dossier
De rechtbank is van oordeel dat het toevoegen van het LIRC proces-verbaal aan het dossier niet van belang is voor de beantwoording van de vragen vermeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. Ook is het de rechtbank onduidelijk waarom het toevoegen van dit proces-verbaal voor verdachte en de medeverdachten relevant zou zijn.
Verwijzen rechter-commissaris
De toegewezen verzoeken zullen gesloten worden verwezen naar de rechter-commissaris omdat de rechtbank zelf zicht wil houden op het verloop van het onderzoek en de uitvoering van de onderzoekswensen. Voor wat betreft het horen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geldt dat deze getuigen ook nog de status van verdachte hebben. Het staat de rechter-commissaris daarom vrij om op voorhand na te gaan of de getuigen van plan zijn om zich te beroepen op hun verschoningsrecht. Als dat het geval is, kan de rechter-commissaris afzien van het plannen van het verhoor, met eventueel de aantekening in het proces-verbaal dat de verdediging geen afstand van deze getuige doet.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank is van oordeel dat ernstige bezwaren en de gronden - die door de verdediging niet zijn bestreden - onverkort van toepassing zijn. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis continueren.
Aanhouden van de zaak
De
rechtbankschorst vervolgens het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, doch maximaal 3 maanden, waarbij de insteek is dat de onderhavige zaak op 8 januari 2026 om 10:30 uur opnieuw pro forma zal worden behandeld. De reden om langer dan een maand aan te houden bestaat hierin dat niet te verwachten is dat het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere behandeling toelaat.
De
rechtbankstelt vervolgens de stukken in handen van de rechter-commissaris in deze rechtbank om de navolgende personen als getuige te horen:
[medeverdachte 2] ,geboren [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] , thans gedetineerd te [instelling] ;
[medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] ;
Politoneel-inwinner [nummer] ; Politioneel-inwinner [nummer] ; Politioneel-inwinner [nummer] ; Begeleider [nummer] ; Begeleider [nummer] .
De
voorzitterbeveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen terechtzitting en tijdstip met kennisgeving daarvan aan de raadslieden van verdachte.
Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.