ECLI:NL:RBNNE:2025:5170

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
24/4913
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herzieningsbesluit huurtoeslag en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 9 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen het herzieningsbesluit van de voorschotbeschikking huurtoeslag behandeld. Eiser is het niet eens met het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen, dat zijn huurtoeslag over 2016 heeft herzien. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiser en komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is, maar constateert tevens dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding van € 9.000,-, maar stelt dit bedrag ter zitting bij naar € 6.000,-, wat overeenkomt met het standpunt van verweerder. De rechtbank oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan verweerder is toe te rekenen en kent eiser een schadevergoeding toe van € 6.000,-. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt verweerder tot betaling van de schadevergoeding aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het herzieningsbesluit van de voorschotbeschikking huurtoeslag en de buiten invorderingstelling van de daaruit volgende terugvordering. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan de wetsartikelen die voor deze zaak van belang zijn.

Procesverloop en de totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Met het primaire besluit van 30 december 2016 heeft verweerder de voorschotbeschikking huurtoeslag over het jaar 2016 van eiser herzien.
2.2.
Met het bestreden besluit van 11 juli 2017 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven.
2.3.
Met de uitspraak van 12 juni 2019 op het beroep van eiser heeft de rechtbank de zaak terugverwezen naar verweerder vanwege schending van de hoorplicht.
2.4.
Op 11 juli 2024 heeft verweerder eiser gehoord op zijn bezwaarschrift.
2.5.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluit gebleven dat het bezwaar van eiser ongegrond moet worden verklaard.
2.6.
Met zijn brief van 13 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Vast staat dat het beroep van eiser later bij de rechtbank is ingediend dan binnen de voorgeschreven termijn van zes weken [1] . Eiser wijst erop dat verweerder in het bestreden besluit heeft geschreven dat de beroepstermijn zal verstrijken op 17 december 2024. Omdat het beroepschrift is ingediend voor deze datum, gaat eiser er vanuit dat het beroep door de rechtbank inhoudelijk zal worden behandeld.
3.2.
Verweerder merkt op dat in het bestreden besluit abusievelijk de uiterlijke beroepsdatum van 17 december 2024 is vermeld. Hij refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser mocht uitgaan van de datum die verweerder in het bestreden besluit in de beroepsclausule heeft vermeld. Met zijn brief van
13 december 2024 is het beroepschrift binnen die gestelde termijn bij de rechtbank ingediend. De rechtbank verklaart het beroep daarom ontvankelijk.
4. De rechtbank zal nu de inhoudelijke kant van de zaak beoordelen.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig genomen, dan wel gebrekkig gemotiveerd?
5.1.
Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat zijn bezwaar gegrond moest worden verklaard. Er wordt immers ook vermeld dat de vordering huurtoeslag buiten invordering wordt geplaatst. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit geen duidelijkheid geeft over waarom deze buiten invordering is geplaatst en ook niet over waarom zijn dossier zolang op de plank is blijven liggen bij verweerder. Eiser wijst erop dat de rechtbank al in 2019 de zaak heeft terugverwezen. Eiser vindt dit onzorgvuldig van verweerder. In dit verband wijst hij ook op de passage in het bestreden besluit waarin staat ‘Geen uitleg van uw bezwaar in een gesprek’. Eiser kan dit niet volgen, omdat hij zijn bezwaren wel heeft uitgelegd in gesprek. Verder stelt eiser dat hij niet alle stukken heeft ontvangen van verweerder.
5.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden en dat er geen gebrek kleeft aan de motivering van het bestreden besluit. Ten eerste wijst verweerder erop dat hij al sinds september 2016 aan eiser vraagt om bewijs te leveren waaruit blijkt dat hij de woning huurde op het adres [adres] , wat de huurlasten waren en of deze huurlasten door hem zijn betaald. Maar hiervan heeft eiser geen stukken overgelegd. Daarom is zijn bezwaar ongegrond verklaard en hieruit is de terugvordering ontstaan. Dat ook besloten is om die terugvordering buiten invordering te stellen, staat los van die beslissing tot ongegrondverklaring. Verder merkt verweerder op dat de (ontbrekende) stukken waaraan eiser refereert, aan de inventarislijst zijn toegevoegd. Het gaat om stukken die eerder aan hem zijn gestuurd, dan wel zelf door eiser gestuurd zijn. Eiser moet met de die stukken dus bekend zijn. Tot slot merkt verweerder op dat dat eiser zijn bezwaren heeft kunnen toelichten in een hoorgesprek en ook op de door hem gewenste locatie. De enkele omstandigheid dat ten onrechte in het kopje in het besluit de zin ‘Geen uitleg van uw bezwaar in een gesprek’ staat, maakt het feit dat er wel degelijk is gehoord niet anders.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. De beslissing van verweerder om de vordering van huurtoeslag over 2016 buiten invordering te stellen, staat los van het besluit om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Hoewel verweerder de buiten invorderingstelling in dit bestreden besluit verder niet heeft toegelicht, blijkt uit recente rechtspraak [2] dat eiser eerder al van de reden op de hoogte is gesteld. Ook de enkele stelling van eiser over ontbrekende stukken biedt onvoldoende aanleiding om hem hierin te volgen. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat in het bestreden besluit onder het door eiser aangehaalde kopje, duidelijk wordt uitgelegd dat er een gesprek heeft plaatsgevonden en ook hoe deze hoorzitting tot stand is gekomen. De rechtbank ziet in de genoemde passage dan ook hooguit een kennelijke verschrijving, waar geen juridisch gevolg uit voortvloeit.
6.2.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat deze zaken geen aanwijsbare invloed hebben gehad op de beslissing van verweerder om het bezwaar ongegrond te verklaren. Hierom kan worden volstaan met het de vaststelling dat van schending van een algemeen rechtsbeginsel geen sprake is.
Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting?
7.1
Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 9.000,- vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van berechting door verweerder [3] . Ter zitting stelt eiser zijn verzoek bij naar het bedrag van € 6.000,-, overeenkomstig het standpunt van verweerder.
7.2.
Verweerder bestrijdt niet dat de zaak van eiser te lang heeft geduurd. Hij voert aan dat, gerekend vanaf het bezwaar op 31 januari 2017 tot aan het bestreden besluit van
28 oktober 2024, er afgerond 7 jaren en 9 maanden zijn verstreken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voor die periode recht heeft op een vergoeding van 12 maal € 500,-, dus in totaal € 6.000,-.
8.1
De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek om een immateriële schadevergoeding moet worden toegewezen. Terecht wijst hij op de lange duur van de procedure. De redelijke berechtingstermijn [4] is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar duren: een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden [5] .
8.2.
Eiser heeft op 30 januari 2017 bezwaar gemaakt. In dit geval ligt er tussen de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser en het doen van uitspraak door de rechtbank op
9 december 2025 een periode van ongeveer 7 jaren en 10 maanden. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn met 5 jaren en 10 maanden. Vast staat dat de overschrijding tot aan het bestreden besluit van 28 oktober 2024 volledig toe te rekenen is aan verweerder. Feiten of omstandigheden die deze duur van de procedure kunnen rechtvaardigen zijn onvoldoende gebleken. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank de verweerder -overeenkomstig het standpunt van partijen- veroordelen tot een bedrag van (12 halve jaren x € 500,- =) € 6.000,-, te betalen aan eiser als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade [6] .

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser ter hoogte van € 6.000,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 6.000,- aan schadevergoeding aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
(…)
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
(…)
Artikel 8:95
Indien de bestuursrechter het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijst, veroordeelt hij het bestuursorgaan tot vergoeding van schade.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie hiervoor de uitspraak van deze rechtbank met vindplaats ECLI:NL:RBNNE:2025:3189, onder rechtsoverweging 6.1..
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:88 van de Awb.
4.Zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Raadpleeg ook de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:RVS:2023:704.
6.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:95 van de Awb.