ECLI:NL:RBNNE:2025:5156

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/4472
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning telecommunicatiemast

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen heeft een omgevingsvergunning verleend aan Odido Netherlands B.V. voor het plaatsen van een telecommunicatiemast nabij een verzorgingsplaats. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. De vergunninghouder heeft verklaard de werkzaamheden pas te starten nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Verzoeker heeft geen spoedeisend belang aangetoond dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Daarom is het verzoek afgewezen. De uitspraak bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de telecommunicatiemast is afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4472

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[Verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Odido Netherlands B.V. uit 's-Gravenhage (de vergunninghouder).

Inleiding

1. Het college heeft op 28 augustus 2024 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het plaatsen van een mast voor telecommunicatie nabij verzorgingsplaats [locatie]. Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
1.1.
Op 14 mei 2025 heeft het college dat besluit vervangen door een nieuw besluit. Ook met dit besluit wordt een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een mast voor telecommunicatie nabij verzorgingsplaats [locatie]. Het bezwaar van verzoeker heeft van rechtswege ook betrekking op dit besluit. Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
1.2.
Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker heeft het college het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter zal het onderzoek in deze verzoekprocedure sluiten en zonder behandeling ter zitting uitspraak doen op het verzoek, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Dat kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
2.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter, een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist.
2.2.
De vergunninghouder heeft op 7 november 2025 per e-mail verklaard dat hij zal wachten met de werkzaamheden voor het plaatsen van de telecommunicatiemast totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep in de bodemprocedure. Op 10 november 2025 heeft verzoeker aangegeven dat hij het verzoekschrift desondanks wil handhaven.
2.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed. Door de e-mail van vergunninghouder van 7 november 2025 is voldoende aannemelijk dat de vergunninghouder tijdens de beroepsprocedure geen gebruik zal maken van de verleende vergunning. Verzoeker heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een spoedeisend belang dat vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker de beroepsprocedure bij de rechtbank niet kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.