Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:5155

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
LEE 25/3789
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor bedrijfspanden

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 1 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfspanden. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen had op 21 mei 2025 de vergunning verleend, waartegen verzoekers bezwaar maakten.

Het bezwaar was echter te laat ingediend, namelijk op 19 oktober 2025, terwijl de termijn zes weken na bekendmaking op 21 mei 2025 liep tot uiterlijk 3 juli 2025. Het college had het besluit ook gepubliceerd in het Gemeenteblad op 3 juni 2025 met een duidelijke bezwaartermijn. Verzoekers hebben niet gereageerd op het verzoek van de voorzieningenrechter om uitleg te geven over de late indiening.

Gezien het te late bezwaar en het ontbreken van een gegronde reden voor het verzuim, oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens te laat ingediend bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3789

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekers], uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfspanden. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Met het besluit van 21 mei 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van bedrijfspanden. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt en als onverwijlde spoed dat vereist. [1] De voorzieningenrechter beoordeelt in het kader van het verzoek de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning en daarmee de kans van slagen van het bezwaar en zij weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening.
3. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt. [2] Bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan deze belanghebbenden. [3] Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, kan het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. [4] Dat is anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [5]
3.1.
In de brief van 27 oktober 2025 heeft het college de voorzieningenrechter laten weten dat het bezwaarschrift is ingediend buiten de daarvoor geldende termijn, waardoor het besluit onherroepelijk in werking is getreden. Uit deze brief van het college maakt de voorzieningenrechter op dat het college van mening is dat het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk is en het verzoek om voorlopige voorziening om die reden moet worden afgewezen.
3.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen heeft bekendgemaakt op 21 mei 2025 door toezending daarvan aan de vergunninghouder. Daarom kon een bezwaarschrift worden ingediend op uiterlijk 3 juli 2025. Verzoekers hebben het bezwaarschrift ingediend op 19 oktober 2025. Dat betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
3.3.
Het college heeft het besluit de omgevingsvergunning te verlenen op 3 juni 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad. In deze publicatie heeft het college de datum van bekendmaking vermeld en daarbij benoemd dat binnen zes weken na die datum een bezwaarschrift kon worden ingediend. De voorzieningenrechter overweegt dat het besluit daarmee ruim binnen de bezwaartermijn is gepubliceerd, zodat het op de weg van verzoekers lag om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Op 27 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoekers verzocht aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hierop hebben verzoekers niet gereageerd. Gelet daarop is niet gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest.
3.4.
Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
2.Dat volgt uit artikel 6:7 en Pro artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dat volgt uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
4.Dat volgt uit artikel 6:6 van Pro de Awb.
5.Dat volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.