ECLI:NL:RBNNE:2025:5136

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
LEE 24/3448
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de omgevingsvergunning voor een hondenschool in Smallingerland

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over een omgevingsvergunning voor een hondenschool in Smallingerland. Eiser sub 1, die aan de locatie van de hondenschool woont, heeft beroep ingesteld tegen de verleende vergunning, mede namens andere omwonenden en de Vogelwerkgroep Opeinde e.o. De rechtbank oordeelt dat alleen eiser sub 1 op tijd beroep heeft ingesteld, terwijl de beroepen van de andere eisers niet inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank constateert dat de onderdelen geluid en licht niet goed zijn onderzocht, waardoor het beroep op deze punten gegrond is. De overige beroepsgronden, waaronder die over natuur en externe veiligheid, worden verworpen. De rechtbank draagt het college van burgemeester en wethouders op om opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser sub 1, rekening houdend met de uitspraak. De rechtbank vernietigt het besluit van 1 juli 2024 en bepaalt dat het college het griffierecht aan eiser sub 1 moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3448

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

1. [eiser 1]uit [plaats 1] , eiser sub 1
2. [eisers 2], uit [plaats 1] , eisers sub 2
3. [eisers 3] ,uit [plaats 1] , eisers sub 3,
4.
[eiser 4] ,uit [plaats 1] , eiser sub 4
5. Vogelwerkgroep Opeinde e.ouit Opeinde
,eiser sub 5,
gezamenlijk aangeduid als eisers.
(gemachtigde: [eiser 1] )
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland

(gemachtigde: mr. F.P. Doting en mr. N.J. Hoek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam 1]uit [plaats 2] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een hondenschool aan [adres] in [plaats 1] . Het gaat om een omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan en het maken van een inrit. [1] Eiser sub 1 woont ook aan [adres] en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij voert, mede namens een aantal omwonenden en de Vogelwerkgroep Opeinde e.o. (de Vogelwerkgroep) een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers sub 2 tot en met 5 niet op tijd beroep hebben ingesteld. Hun beroep wordt niet inhoudelijk behandeld. Eiser sub 1 heeft wel op tijd beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de onderdelen geluid en licht niet goed zijn onderzocht. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 juli 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de verleende omgevingsvergunning van 13 december 2023 gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. Eisers hebben aanvullende stukken toegestuurd en schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser sub 1 voor zichzelf en als gemachtigde van de overige eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder. Ook was namens het college akoestisch deskundige [naam 2] van het bedrijf Geluidsmeesters B.V. aanwezig.
3.2.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Namens wie is het beroep ingediend?
4. Voordat de rechtbank een oordeel geeft over de inhoud van de zaak, moet zij ambtshalve – dus zonder dat partijen daarover iets hebben aangevoerd – beoordelen of het beroepschrift voldoet aan een aantal formele vereisten. Eén van die formele vereisten is dat binnen de beroepstermijn bekend moet zijn wie beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. [2] Als dat niet zo is, behandelt de rechtbank het beroep niet inhoudelijk.
4.1.
De beroepstermijn liep tot en met 13 augustus 2024. Het beroepschrift van eiser sub 1 is op 7 augustus 2024 digitaal ontvangen door de rechtbank. Op het digitale formulier heeft eiser vermeld bij de vraag voor wie hij in beroep gaat: “alleen voor mijzelf”. Eiser sub 1 heeft vervolgens op 25 augustus 2024 een aanvullend stuk aan de rechtbank gestuurd. Daarin zegt hij dat hij het beroep ook namens eisers sub 2 tot en met 5 heeft ingesteld. Hij heeft ook door hen ondertekende machtigingen meegestuurd.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat binnen de beroepstermijn alleen bekend was dat eiser sub 1 beroep heeft ingesteld. Ook de brief bij het digitale formulier getiteld ‘
[document] ’is alleen door hem ondertekend en bevat alleen zijn naam. Eiser sub 1 schrijft daarin weliswaar over de belangen van anderen, maar uit de brief valt niet op te maken dat het beroep ook namens hen is ingediend. Ook uit de eerder in bezwaar door eiser sub 1 ingediende handtekeningenlijsten kon dit niet worden opgemaakt, nu daarin 25 namen zijn genoemd en daaruit dus niet kon worden afgeleid dat van deze 25 namen alleen eisers sub 2 tot en met 5 beroep wilden instellen. Dit betekent dat eisers sub 2 tot en met 5 niet-ontvankelijk zijn in hun beroep. De rechtbank bespreekt hun beroepen daarom niet inhoudelijk.
4.3.
Het beroepschrift van eiser sub 1 voldoet wel aan de formele vereisten. De rechtbank behandelt dit beroep daarom inhoudelijk. Bij de bespreking van de beroepsgronden zal de rechtbank vanwege de leesbaarheid verder schrijven over eiser, waarmee eiser sub 1 wordt bedoeld. De rechtbank gaat achtereenvolgens in op de volgende onderwerpen: overgangsrecht, natuurbescherming, externe veiligheid, groene zone, licht en geluid. De rechtbank sluit af met een conclusie en de gevolgen van de uitspraak.
Is de Omgevingswet van toepassing?
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van het overgangsrecht [3] het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Kan eiser een beroep doen op de regels voor natuurbescherming?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen rekening is gehouden met de impact van de hondenschool op het nieuw aangelegde Reindersmabosk. De aanvullende stukken van de Vogelwacht zijn niet meegenomen door de Commissie bezwaren en klachten van de commissie van de gemeente Smallingerland (bezwarencommissie). In het rapport ‘Quickscan Wnb’ van april 2023 wordt bovendien geen rekening gehouden met de opening van Reindersmabosk. Vogels mogen niet gestoord worden in de broedperiode, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank leest deze beroepsgrond als een beroep op de bepalingen van de Wet natuurbescherming die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten (Wnb). Het is vaste rechtspraak dat natuurlijke personen zich niet op deze bepalingen kunnen beroepen, omdat deze normen niet de belangen van natuurlijke personen beschermen, maar een algemeen belang. [4] Dit is alleen anders als kan worden aangenomen dat hun persoonlijke belang bij het behoud van een goede woon- en leefomgeving is verweven met dat algemene belang. [5] Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning van degene die opkomt tegen de omgevingsvergunning en de locatie waarop het in een omgevingsvergunning voorziene project wordt uitgevoerd. In geval die afstand hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. [6]
6.2.
De hondenschool wordt op een afstand van ongeveer 200 meter van de woning van eiser gerealiseerd. Eiser heeft desgevraagd niet aangegeven waarom er in zijn geval een uitzondering gemaakt moet worden op de onder 6.1 genoemde grens van 100 meter. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat er geen reden is om een verwevenheid tussen het algemeen belang van de Wet natuurbescherming en het persoonlijke belang van eiser aan te nemen. Eiser kan zich niet beroepen op de Wnb.
6.3.
De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond dan ook niet inhoudelijk.
Kan eiser een beroep doen op de regels voor externe veiligheid?
7. Eiser voert aan dat in de ruimtelijke onderbouwing voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is uitgegaan van een 4 inch leiding. In het geldende bestemmingsplan wordt uitgegaan van een leiding met een diameter van 12 inch. Daarom is het besluit niet zorgvuldig voorbereid. Verder geeft eiser in een aanvullend schrijven aan dat er geen toestemming is gevraagd aan de leidingbeheerder voor het gebruiken van de grond. Ook daarom is het besluit volgens eiser niet zorgvuldig voorbereid. Ook is er volgens hem geen
vergunning gevraagd voor het bouwen van een laag hek en is er geen poort meegenomen.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat de verleende omgevingsvergunning alleen gaat over het bouwen van een gebouw, het (tijdelijk) gebruiken van de grond voor een hondenschool en het maken van een inrit. Het hek en de poort maken geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning en maken dan ook geen onderdeel uit van deze procedure.
7.2.
Ook voor eisers die opkomen voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van hun woningen, maar zelf op hun eigen percelen geen externe veiligheidsrisico’s van een bepaalde ontwikkeling ondervinden, geldt dat zij zich niet kunnen beroepen op het aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat ziet op externe veiligheid. [7] Eiser heeft op de zitting niet kunnen aangeven hoe zijn persoonlijke belang wordt geraakt door het – mogelijk – onjuist inschatten van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico op de locatie van de hondenschool. Deze risico-inschattingen zien immers op de veiligheid van de gebruikers van de hondenschool. Hetzelfde geldt voor de toestemming van de leidingbeheerder die volgens eiser nodig is. Eiser kan zich niet op deze normen beroepen.
7.3.
De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond dan ook niet inhoudelijk.
Wordt het pand gebouwd in een groene zone tussen het industrieterrein en De Kletten ?
8. Eiser stelt dat de hondenschool in een groene zone komt, terwijl deze zone bedoeld was om het industriegebied ten noorden van De Kletten landschappelijk in te passen. Dit volgt volgens eiser uit de toelichting op het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Noorderhogeweg Drachten ’ (het bestemmingsplan).
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de locatie van de hondenschool buiten de groene zone in het bestemmingsplan is gelegen. De groene zone is in het bestemmingsplan aangeduid met de bestemming ‘Groen’ en ligt naast het perceel waarop de hondenschool komt.
8.2.
Tussen partijen is niet in geschil – en de rechtbank is het daarmee eens – dat de gronden waarop de hondenschool komt, in het bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’ hebben. Ook is niet in geschil dat de hondenschool niet binnen deze bestemming past. Om de hondenschool mogelijk te maken is daarom een omgevingsvergunning voor het afwijken van dit bestemmingsplan nodig. Het college heeft een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van dit bestemmingsplan verleend. [8]
8.3.
Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [9]
8.4.
Het bestemmingsplan is vastgesteld op 5 juli 2011 naar aanleiding van de wens van de gemeente Smallingerland om in het gebied een bedrijventerrein te ontwikkelen. In de toelichting op het bestemmingsplan is in paragraaf 5.1 opgenomen dat een hoofduitgangspunt van de ontwikkeling is dat er een groene overgang naar De Kletten en de Nijtap wordt gerealiseerd. In paragraaf 5.5 is opgenomen dat de groene zone langs De Kletten een belangrijk groen element is. Deze dient volgens de gemeenteraad als overgangszone tussen de bedrijfsbebouwing en de Kletten .
8.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het plaatsen van het bouwwerk in de groene zone langs De Kletten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het perceel heeft weliswaar niet de aanduiding ‘Groen’, maar wel de aanduiding ‘Agrarisch’ waarop geen gebouwen mogen worden geplaatst. Het college had dan ook rekening moeten houden met het belang van het behoud van de groene overgangszone. Deze beroepsgrond slaagt.
8.6.
De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren. [10] In het verweerschrift en ter zitting heeft het college namelijk nader gemotiveerd waarom het niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om het perceel tijdelijk voor een hondenschool te gebruiken. Het college heeft overwogen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld omdat het terrein grotendeels een open karakter houdt en het gebruik en het bouwwerk slechts tijdelijk is. Het bouwwerk bestaat uit vier (zee)containers en heeft daarmee een beperkte omvang. Bovendien wordt het ingepakt in groen. Vanwege de situering langs de rand van het perceel is het goed inpasbaar in de omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit hiermee alsnog voldoende gemotiveerd. Wat dit betekent voor het bestreden besluit legt de rechtbank uit onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’.
Is de lichtuitstraling voldoende onderzocht?
9. Eiser stelt dat niet ondubbelzinnig is vastgelegd wat de lichthinder zal zijn. In het besluit staat op pagina 10 dat de lichtmasten 12 meter hoog zijn, maar in het lichtonderzoek staat dat de masten 15 meter hoog zijn, en in het aangepaste besluit zou het 8 meter zijn. Ook geeft hij aan dat als lichtmasten van 8 meter worden opgericht dit mogelijk tot gevolg heeft dat er meer lichtmasten worden geplaatst.
9.1.
Aan de verleende omgevingsvergunning heeft het college als voorschrift verbonden dat vergunninghouder de veldverlichting moet uitvoeren volgens de uitgangspunten in het rapport van LI Sports van 16 oktober 2023. In het bestreden besluit heeft het college de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten, maar de plattegrond in de ruimtelijke onderbouwing aangepast naar een bouwhoogte voor de lichtmast van 8 meter. Dit heeft het college gedaan op advies van de bezwarencommissie.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit daarmee innerlijk tegenstrijdig. In het rapport van LI Sports wordt immers uitgegaan van een lichtmasthoogte van 15 meter, terwijl de masten volgens het bestreden besluit slechts 8 meter hoog mogen zijn. Nu niet duidelijk is van welke lichtmasthoogte moet worden uitgegaan, is het besluit onzorgvuldig voorbereid. Daar komt bij dat het college ervan uit lijkt te gaan dat een lichtmast van 8 meter hoog niet in strijd is met de bestemmingsplanregels, omdat masten van 8 meter hoog gebouwd mogen worden binnen de agrarische bestemming. [11] Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet juist. Een mast is niet hetzelfde als een lichtmast. Het argument van het college dat het gebruikelijk is om bij agrarische bedrijven op het erf lichtmasten op te richten volgt de rechtbank niet. Op de locatie is geen bouwvlak, waardoor er geen agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk zijn. Het bouwen van lichtmasten ten behoeve van een hondenschool is in strijd met het bestemmingsplan. Daarom is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig. Dat betekent dat een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij de lichtuitstraling op de woning van eiser meegewogen moet worden.
9.3.
De beroepsgrond slaagt.
Is de geluidbelasting voldoende onderzocht?
10. Eiser is het niet eens met de uitkomsten van het geluidsonderzoek van Geluidmeesters van 3 november 2022 dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Volgens hem heeft het de volgende gebreken;
  • de representatieve bedrijfssituatie is niet nauwkeurig genoeg beschreven;
  • het gebruikte bronvermogen klopt niet;
  • de gebruikte frequentiebanden kloppen niet;
  • er is geen rekening gehouden met het gelijktijdig blaffen van honden;
  • er is geen rekening gehouden met de indirecte hinder van het verkeer naar de hondenschool.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het geluidsonderzoek van Geluidmeesters deugdelijk is, omdat het college het onderzoek heeft laten beoordelen door de FUMO. Het college meent dat het zich op dit rapport mocht baseren.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
10.2.1.
Ter zitting is komen vast te staan dat het rapport is opgesteld ten behoeve van een melding op grond van het destijds geldende Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Dit betekent dat in de representatieve bedrijfssituatie geen rekening is gehouden met het stemgeluid van de docenten en hondenbegeleiders ten tijde van aankomst en vertrek. Deze geluidsbelasting valt niet onder de regels van het Abm en moet daarom worden meegewogen bij het onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek op dit punt onvolledig en dient het aangevuld te worden.
10.2.2.
Wat betreft de omschrijving van de representatieve bedrijfssituatie overweegt de rechtbank dat in paragraaf 3.2 van het onderzoek van 3 november 2022 voldoende uitgebreid is beschreven van welke situatie is uitgegaan. Omdat niet altijd dezelfde honden op de school aanwezig zijn, is uitgegaan van een gemiddelde. Het is onmogelijk om bij voorbaat vast te stellen welke honden lessen zullen volgen. De blaftijd van 4% is gebaseerd op het gegeven dat de honden bezig zijn en dus weinig afleiding hebben, waardoor het blaffen onder het gemiddelde van 2-10% zal zijn. Dat komt de rechtbank niet onredelijk voor. De bedrijfstijden van 96 en 38 minuten die zijn genoemd in de tabel ‘geluidrelevante bedrijfsactiviteiten’ betreffen de minuten waarin wordt geblaft en niet totale uren waarin de lessen worden gegeven. Die staan in tabel 3.1. van het rapport. Evenementen maken geen deel uit van de bedrijfssituatie en hoeven daarom niet beoordeeld te worden.
10.2.3.
Met betrekking tot de door eiser genoemde verschillende bronvermogens en frequentiespectra per hondenras is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat het geluidrapport van Geluidmeesters ondeugdelijk is. Geluidmeesters is uitgegaan van een gemiddeld bronvermogen van 105 dB(A) per hond en een maximum van 115 dB(A) per hond. Deze getallen zijn gebaseerd op de ervaring van Geluidmeesters. Omdat het hier gaat om een deskundig bureau, dat vaker dergelijke situaties heeft beoordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Bovendien vallen de gehanteerde bronvermogens binnen de bandbreedtes [12] die worden gehanteerd in de door eiser zelf aangehaalde bron. Eiser heeft ook geen rapport overlegd van een ter zake deskundige dat aantoont dat de gehanteerde bronvermogens onjuist zijn. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de door eiser overlegde berekeningen met alleen de energie verdeeld over de octaafbanden van 1000 en 2000 Hz niet realistisch zijn, omdat de energie van een blaf altijd over meerdere octaafbanden verdeeld is. De rechtbank volgt dit betoog.
10.2.4.
Ook volgt de rechtbank het verweer van het college dat het niet aannemelijk is dat in een groep van 40 honden, twee honden op exact dezelfde 1/8e seconde blaffen. Er hoeft bij het berekenen van de piekniveaus dan ook niet van dit gegeven te worden uitgegaan.
10.2.5.
Eiser stelt terecht dat de auto’s van cursisten steeds rond hetzelfde tijdstip (de start- en eindtijd van de lessen) zullen aankomen en vertrekken. Het gaat dus om een toename van maximaal 80 auto’s die rond hetzelfde tijdstip van en naar de hondenschool rijden. De rechtbank is echter van oordeel dat deze auto’s ter hoogte van de woning van eiser, ruim 200 meter verderop, opgenomen zijn in het heersende verkeersbeeld. Het is op die locatie niet meer te onderscheiden van verkeer dat een andere bestemming heeft. Deze verkeersbewegingen hoeven daarom niet meegenomen te worden in de indirecte hinder van de hondenschool.
Conclusie en gevolgen
11. Uit wat hierboven onder 8.5, 9.2 en 10.2.1 is overwogen volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank ziet aanleiding om het gebrek met betrekking tot de groene zone (8.5) te passeren, omdat het college dit later voldoende heeft gemotiveerd. De gebreken op het gebied van licht en geluid moeten echter hersteld worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de omgevingsvergunning te nemen. Dit omdat er nader onderzoek moet worden gedaan. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser sub 1 vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser sub 1 proceskosten heeft gemaakt die vergoed moeten worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiser sub 1 gegrond;
  • verklaart de beroepen van eisers sub 2, eisers sub 3, eiser sub 4 en eiser sub 5
niet-ontvankelijk;
  • vernietigt het besluit van 1 juli 2024;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of […]
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 4
[Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Bestemmingsplan Bedrijventerrein Noorderhogeweg [plaats 2]
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
grondgebonden agrarische bedrijven;
het bedrijfswonen, ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning";
maar ook voor de daarbij behorende:
groenvoorzieningen en water;
parkeervoorzieningen;
wegen, straten en paden;
openbare nutsvoorzieningen;
kunstobjecten;
tuinen en erven.
[…]
3.2
Bouwregels
[…]
3.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
a. de gebouwen mogen alleen worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken;
[…]
3.2.3
Andere bouwwerken
Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:
erf- en terreinafscheidingen en pergola's mogen alleen worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken;
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1 meter zijn, maar als een erf- of terreinafscheiding achter (het verlengde van) de aan de kant van de weg gelegen gevel wordt gebouwd, mag deze maximaal 2 meter zijn;
de bouwhoogte van palen en masten mag maximaal 8 meter zijn;
e bouwhoogte van kunstobjecten mag maximaal 12 meter zijn;
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag maximaal 5 meter zijn.

Voetnoten

1.Artikel 2.1 eerste lid, onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:681).
3.Artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Dit volgt uit het relativiteitsvereiste dat staat in artikel 8:69a van de Awb.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), rechtsoverweging (r.o.) nummer 10.66.
6.Uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), r.o. 10.67.
7.Ook dit volgt uit het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), r.o. 10.12.
8.Artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2° van de Wabo en artikel 4, onderdeel 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
9.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
10.Artikel 6:22 van de Awb maakt dit mogelijk.
11.Artikel 3.2.3 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Noorderhogeweg [plaats 2] ’.
12.95 tot 112 dB(A) voor het langtijdgemiddelde en 107 tot 126 dB(A) voor piekgeluiden.