ECLI:NL:RBNNE:2025:5061

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/3994
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor renovatie van een schuur in Noordenveld

Deze uitspraak betreft een verleende omgevingsvergunning voor de renovatie van een schuur in de gemeente Noordenveld. Eisers, bewoners van een nabijgelegen adres, zijn het niet eens met de verleende vergunning en hebben hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 10 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. De rechtbank oordeelt dat het college van burgemeester en wethouders terecht heeft besloten om de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank stelt vast dat er geen weigeringsgronden zijn die de vergunning zouden kunnen blokkeren. Eisers hebben verschillende beroepsgronden aangevoerd, waaronder de vrees dat de schuur voor bedrijfsmatige doeleinden zal worden gebruikt, wat in strijd zou zijn met de bestemmingsomschrijving van het perceel. De rechtbank concludeert dat er geen reden is om aan te nemen dat de schuur niet in overeenstemming met de bestemming zal worden gebruikt. De rechtbank wijst erop dat de vergunning enkel betrekking heeft op de renovatie van de bestaande schuur en niet op een uitbreiding daarvan. De rechtbank heeft ook de argumenten van eisers over de welstand en brandoverslag beoordeeld en komt tot de conclusie dat het college de vergunning terecht heeft verleend. De uitspraak bevestigt dat de omgevingsvergunning in stand blijft en dat eisers geen gelijk krijgen in hun beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[eisers], uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld

(gemachtigde: F. Kelderhuis en Y. van den Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A.J. Elema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het renoveren van een schuur. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen weigeringsgronden voordeden, waardoor de omgevingsvergunning moest worden verleend. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 2 augustus 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de renovatie van een bestaande schuur op het adres [adres] in [woonplaats]. Die renovatie houdt onder andere in dat het deel van het gebouw dat nu een overkapping is wordt dicht gebouwd en voorzien van muren en roldeuren aan de achterzijde en oostzijde van de schuur.
2.1.
Het college heeft de vergunning met het besluit van 16 maart 2024 verleend.
2.2.
Eisers wonen op het adres [adres] in [woonplaats]. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.
2.3.
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college, onder overname van het advies van de bezwaaradviescommissie, de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht dat bij die wet hoort vloeit voort dat op deze procedure het recht van toepassing is zoals dat gold voor 1 januari 2024.
Beoogd gebruik
4. Eisers stellen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk anders zal worden gebruikt dan voor doeleinden waarin de bestemmingsomschrijving, in dit geval ‘wonen in de vorm van boerderijen’. De schuur wordt erg groot en hoog en is geschikt om groot materiaal in op te slaan. In de praktijk wordt ook met groot en zwaar materiaal gereden over een smal pad, wat zorgt voor schade aan de tuin van eisers. Het gebruik kan niet als hobbymatig worden gezien, maar is bedrijfsmatig. Daarbij is volgens eisers van belang dat vergunninghouder bedrijfsmatig actief is in de import, export en reparatie van overslagmachines. Vergunninghouder heeft ook bovenloopkranen liggen die hij in de schuur zou willen installeren. Verder is in de aanvraag als voorgenomen gebruik ‘stallingsruimte’ genoemd, wat ook bedrijfsmatig kan zijn, en wordt in het rapport over de brandoverslag gesproken over een industriefunctie en opslagruimte. In de praktijk is qua uitstraling duidelijk sprake van een bedrijfsmatig gebruikt perceel. Dit terwijl in de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat geen sprake is van agrarische bedrijven in Peest. De ruimtelijke uitstraling van het gebruik is qua aard, intensiteit en omvang niet verenigbaar met het karakter van de omliggende woonomgeving. Eisers wijzen daarbij op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover. [1] Verder stelt eiser dat het pand aan de [adres] de specifieke aanduiding ‘karakteristiek’ heeft. De ruimtelijke situering wordt met de bouw van de grote schuur aangetast.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de bestaande omvang van de schuur die zich legaal op het perceel bevindt niet tot de conclusie kan leiden dat gelet op de omvang van de schuur sprake zal zijn van bedrijfsmatige activiteiten. Uit de uitspraak van de Afdeling die eisers aanhalen volgt ook niet dat gekeken moet worden naar de omvang van het gebouw, maar de omvang van het bedrijfsmatige gebruik op een perceel. Het bedrijfsmatige gebruik kan volgens het college niet enkel worden afgeleid uit de beschrijving van de schuur als loods in bepaalde stukken. Het bedrijf van vergunninghouder is gevestigd op de [adres] en het is niet aannemelijk gemaakt dat hij bedrijfsactiviteiten op de [adres] uitvoert.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning enkel ziet op een renovatie van de bestaande schuur en niet om een uitbreiding daarvan. De bestaande afmetingen qua hoogte, breedte en diepte blijven gelijk. Dit is door het college ter zitting bevestigd en is door eisers niet bestreden. Ook is door eisers niet bestreden dat het bouwplan past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. Eisers stellen dat het beoogde gebruik van de schuur niet past binnen de gebruiksregels van het bestemmingsplan. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
Ter plaatse van de schuur gold ten tijde van de aanvraag op grond van het bestemmingsplan “Kleine Kernen Noordenveld” de enkelbestemming “Wonen – Boerderij”. Verder geldt ter plaatse van de schuur de bouwaanduiding “bijgebouwen”. De gronden met de bestemming “Wonen – Boerderij” zijn op grond van artikel 22.1 van de planregels bestemd voor “wonen, in de vorm van boerderijen”.
4.4.
Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts dient te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. [2]
4.5.
In het aanvraagformulier is aangegeven dat de schuur zal worden gebruikt als stallingsruimte. In zijn reactie op het beroep heeft vergunninghouder aangegeven dat het gaat om de opslag van privé-eigendommen die gebruikt worden voor zijn hobby met oude landbouwvoertuigen. De rechtbank overweegt dat opslag/stalling van privé-eigendommen in een schuur in algemene zin passend is binnen de woonbestemming. Dat de schuur een bepaalde omvang heeft, betekent niet dat enkel bedrijfsmatige opslag kan plaatsvinden. Het bedrijf van vergunninghouder is bovendien op een ander adres gevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank valt daarom niet op voorhand aan te nemen dat de schuur uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.
4.6.
Voor zover eisers stellen dat in de praktijk wel sprake is van bedrijfsmatige activiteiten, danwel hobbymatige activiteiten gezien de omvang en intensiteit niet passen binnen de woonbestemming, overweegt de rechtbank dat dit een handhavingskwestie is die buiten de omvang van dit geding valt.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvraag terecht niet mede aangemerkt als een aanvraag die mede zag op strijdig gebruik met het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Welstand
5. Eisers stellen dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Een rieten kap zou veel passender zijn. Gezien de grootte van het bouwwerk is het gebouw opvallend dicht op de erfgrens geplaatst. De oriëntatie van de open gevel aan de oostzijde is een niet gangbaar beeld, mede door het ontbreken van maskerend groen op of nabij de erfgrens. Het gebouw past daarom niet binnen de omgeving.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat golfplaten voor agrarische bouwwerken of tweedelijns bouwwerken op het achtererf een gebruikelijke (traditionele) dakbedekking zijn. Dit is ook gebruikelijk in een dakenlandschap met veel riet voor voorgenoemde bouwwerken. Dit is hier ook het geval volgens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het plan voldoet aan de Gids Omgevingskwaliteit Noordenveld.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft op 7 maart 2024 beoordeeld dat het bouwplan niet strijdig is met de basis- en gebiedsprincipes uit de Gids Omgevingskwaliteit Noordenveld. In het verweerschrift in bezwaar heeft het college een nadere onderbouwing over de welstand gegeven. Daarin staat onder andere dat aan de oostzijde een dichte wand wordt gerealiseerd. De overheaddeur krijgt een antraciet kleur waardoor deze redelijk is ingepast en voldoende ondergeschikt is. Verder is golfplaat voor agrarische bouwwerken of tweedelijns bouwwerken op het achtererf een gebruikelijke dakbedekking.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het advies van de welstandscommissie heeft mogen overnemen, met de daaraan toegevoegde onderbouwing in bezwaar. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. [3] Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Eisers hebben geen contra-expertise overgelegd. In bezwaar heeft het college onderbouwd dat de golfplaten dakbedekking gebruikelijk is, sprake is van een dichte wand aan de oostzijde en de roldeur gezien de kleurstelling passend is. Eisers hebben verder niet onderbouwd met welke basis-of gebiedsprincipes het bouwplan in strijd zou zijn. Dat het bouwwerk opvallend dicht op de erfgrens wordt geplaatst kan eisers niet baten omdat het om vervanging op dezelfde locatie gaat. De beroepsgrond over de welstandsaspecten slaagt daarom niet.
Brandoverslag
6. Eisers voeren aan dat het rapport van de brandoverslag van september 2023 dateert en hierin niet de uiteindelijke bouwtekeningen zijn betrokken. De juiste bouwtekeningen zijn bovendien pas tijdens de hoorzitting overgelegd.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de omgevingsvergunning een voorschrift is opgenomen, dat inhoudt dat voor aanvang van de bouw een bijgewerkt rapport voor de brandveiligheid naar aanleiding van de wijzigingen in de tekeningen moet worden ingediend. Daarmee is voldoende geborgd dat er een nieuw brandrapport moet worden aangeleverd en juist moet zijn bevonden voor de start van de bouw.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat met het voorschrift in de omgevingsvergunning voldoende is geborgd dat een nieuwe beoordeling over de brandoverslag wordt gemaakt op basis van de nieuwe tekeningen, voordat met de bouw wordt begonnen. De rechtbank acht dit voorschrift niet onvoldoende rechtszeker, voor zover eisers dit betogen. Daartoe overweegt de rechtbank dat of het bouwplan qua brandoverslag voldoet in het nieuwe rapport aan de hand van technische uitgangspunten zal worden bepaald. Als het bouwplan niet aan die uitgangspunten voldoet, zal niet kunnen worden gebouwd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Overige gronden
7. Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen van de limitatief opgesomde weigeringsgronden in artikel 2.10 van de Wabo zich voordoet. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning niet kon weigeren. Er bestaat daarom geen ruimte voor een belangenafweging. Wat eisers aanvoeren over de overlast door het gebruik van het Boeremarkerpad kan daarom niet tot een weigering van de vergunning leiden. Ook de in 2018 beoogde sanering van de schuur in verband met een uitbreiding op het bedrijfsperceel van vergunninghouder kan daarom geen rol spelen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de renovatie van de schuur in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Invoeringswet Omgevingswet
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Bestemmingsplan “Kleine kernen Noordenveld”
Artikel 22.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen - Boerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen, in de vorm van boerderijen;
ed & breakfastvoorziening, niet passend binnen het bepaalde in lid 22.5.1 sub b, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';
bestaand bedrijf, niet passend binnen het bepaalde in lid 22.5.1 sub a, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2';
e instandhouding van de bestaande hoofdvorm van het hoofdgebouw;
alsmede voor:
kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen';
behoud en versterking van de bestaande houtwallen en boomsingels, ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel';
de instandhouding van de bestaande karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
met daaraan ondergeschikt:
paden, verhardingen en parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende:
tuinen, erven en terreinen;
gebouwen;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
(…)

Voetnoten

1.De uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, zaaknummer 202004879/1/R2.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1829.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3095, onder 5.1.