ECLI:NL:RBNNE:2025:4867

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
C/18/248449 / FT RK 25/1037
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in het kader van de Faillissementswet

Op 3 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een vonnis uitgesproken in de zaak van een verzoeker die een dwangakkoord heeft aangevraagd. De verzoeker, die een totale schuldenlast van € 64.181,03 heeft, heeft met behulp van de Gemeentelijke Kredietbank Midden-Groningen (GKB) een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit voorstel, dat een prognoseakkoord inhoudt, is door de meeste schuldeisers aanvaard, met uitzondering van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] B.V. Deze laatste heeft geweigerd in te stemmen met het aanbod, onder andere omdat zij van mening zijn dat de verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van zijn schulden.

De rechtbank heeft het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord toegewezen. De rechtbank overweegt dat de GKB Midden-Groningen als bevoegde instantie het voorstel op een juiste manier heeft ingediend en dat de weigering van de schuldeisers om in te stemmen met de aangeboden regeling onredelijk is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker voldoende heeft aangetoond dat hij te goeder trouw is geweest en dat het aanbod het maximaal haalbare is. De rechtbank heeft daarbij de belangen van de verzoeker en de schuldeisers tegen elkaar afgewogen en geconcludeerd dat de schuldeisers onvoldoende belang hebben bij hun weigering.

De rechtbank heeft de schuldeisers bevolen in te stemmen met de schuldregeling, waardoor het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken wordt beschouwd. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/248449 / FT RK 25/1037

vonnis van 3 november 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf] , hierna te noemen verzoeker,
tegen
[schuldeiser 1], vertegenwoordigd door Coeo Incasso correspondentieadres: [adres] ,
en
[schuldeiser 2] B.V., vertegenwoordigd door mr. H.H.M. Meijroos, hierna te noemen [schuldeiser 2] .

Procesgang

Op 23 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) en tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (WSNP) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door de Gemeentelijke Kredietbank Midden-Groningen, hierna te noemen GKB Midden-Groningen.
Mr. H.H.M. Meijroos heeft op 17 oktober 2025 namens [schuldeiser 2] een verweerschrift ingediend.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
20 oktober 2025. Hierbij zijn verschenen verzoeker en de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener en werkzaam bij de GKB. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] zijn opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van verzoeker is
€ 64.181,03. Een deel van de schulden is ontstaan uit de onderneming van verzoeker. Verzoeker is tot 1 januari 2025 als zzp’er gaan werken in de beveiliging. Omdat de (handhaving van) wetgeving voor zzp’ers veranderde, is verzoeker in loondienst getreden bij zijn opdrachtgever. Verzoeker heeft met behulp van GKB Midden-Groningen op 2 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat middels een prognoseakkoord een aanbod is gedaan aan alle schuldeisers.
Verzoeker heeft een akkoord aangeboden tegen finale kwijting waarbij naar verwachting de preferente crediteur 44 % en de concurrente crediteuren 22% ontvangen. De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] B.V. aanvaard.

Het verweer

[schuldeiser 1] heeft als reden voor het onthouden van haar instemming opgegeven dat zij akkoord gaan als er minimaal 50 % van haar vordering wordt uitgekeerd.
[schuldeiser 2] heeft haar weigering om met het aanbod in te stemmen bij verweerschrift van 17 oktober 2025 toegelicht. Verzoeker heeft op 12 januari 2024 een lening afgesloten bij [schuldeiser 2] . De lening is niet binnen de afgesproken 24 maanden terugbetaald en verzoeker staakte zijn onderneming nog geen jaar nadat hij de lening heeft gekregen. Er zou volgens [schuldeiser 2] sprake kunnen zijn van het ontbreken van goede trouw bij het niet betalen van schulden. Verzoeker kan volgens [schuldeiser 2] al zijn schuldeisers binnen 42 maanden volledig betalen. [schuldeiser 2] heeft de rechtbank primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair de periode van 18 maanden gelet op de leeftijd en de spaarcapaciteit van verzoeker te verlengen naar 42 manden, of anders naar 36 maanden.

De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
De rechtbank overweegt dat een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering van een verweerder om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en de schuldenaar tegen elkaar afwegen.
Bevoegde instantie
De rechtbank stelt allereerst vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de GKB Midden-Groningen. GKB Midden-Groningen heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen, maar verzoeker zou worden toegelaten tot de Wsnp. GKB Midden-Groningen is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Belangenafweging
Het is belangrijk dat personen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. Uitgangspunt is echter dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling als die schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser daarom gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n aanbod. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeisers niet redelijk is. Om dit te kunnen beoordelen weegt de rechtbank de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af.
Ontbreken van goede trouw?
[schuldeiser 2] wijst er op dat verzoeker zijn onderneming heeft gestaakt op 31 december 2024, nog geen jaar nadat hij de lening bij [schuldeiser 2] had aangevraagd en verkregen. Volgens [schuldeiser 2] blijkt uit niets dat verzoeker na het staken van zijn bedrijf al aflossingen heeft gedaan. Voor zover het verweer van [schuldeiser 2] moet worden opgevat als een beroep op het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de schulden, overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 287a Faillissementswet laat het aan de rechter over om te bepalen in welke concrete omstandigheden van het geval sprake is van een onredelijke weigering van een schuldeiser om medewerking aan een schuldregeling te verlenen. De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek om een dwangakkoord op te leggen, laten meewegen of verzoeker bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.
Voor de rechtbank is, gelet op de gemotiveerde betwisting van verzoeker, echter onvoldoende komen vast te staan dat er hier sprake is van het ontbreken van goede trouw. De meeste schulden van verzoeker zijn langer dan drie jaar geleden ontstaan. Weliswaar is de schuld aan [schuldeiser 2] relatief kort geleden ontstaan, maar verzoeker heeft goed kunnen uitleggen waarom hij, bijna een jaar nadat hij de lening had verkregen van [schuldeiser 2] , toch genoodzaakt was om zijn onderneming te beëindigen. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.
Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp
De rechtbank is van oordeel dat, indien verzoeker zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, zijn schuldeisers aan het einde van de schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in het kader van de aangeboden schuldregeling. De spaarcapaciteit gedurende de schuldsaneringsregeling is lager dan de aangeboden akkoordsom. Op basis van de huidige gegevens kan er aan het einde van de schuldsaneringsregeling na aftrek van de bewindvoerderkosten aan de schuldeisers een lagere uitkering worden gedaan. De rechtbank merkt daarbij op dat de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling hoger zijn dan de bemiddelingskosten die GKB Midden-Groningen in rekening brengt.
Maximaal haalbare?
Het voorstel van verzoeker is naar het oordeel van de rechtbank het maximaal haalbare. Verzoeker is fulltime werkzaam en draait voornamelijk nachtdiensten om zodoende toeslagen te krijgen en zijn inkomen te maximaliseren. Een mogelijke stijging van zijn inkomen komt gedurende het minnelijk traject ten goede aan de schuldeisers. Het voorstel is daarmee het maximaal haalbare dat van verzoeker op financieel gebied kan worden verwacht. Mocht het inkomen van verzoeker en daarmee de afloscapaciteit veranderen, dan heeft dit zowel in een schuldsaneringsregeling als in het buitengerechtelijk traject invloed op het uitkeringspercentage aan de schuldeisers.
[schuldeiser 2] heeft nog aangevoerd dat verzoeker in staat moet worden geacht om in 42 maanden zijn volledige schuldenlast in te lossen. [schuldeiser 2] maakt bij die veronderstelling echter een rekenfout. Uitgaande van het inkomen ten tijde van het aanbod, zou de inlossing geen 42 maanden maar minstens 60 maanden vergen. Die periode is zodanig lang dat het belang van verzoeker hier dient te prevaleren boven dat van [schuldeiser 2] .
Conclusie
Omdat het aanbod van verzoeker goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, en de Wsnp de weigerende schuldeisers geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] om akkoord te gaan, niet redelijk is. Zij hebben namelijk onvoldoende belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl verzoeker en de andere schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding daarvan.
Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling als ingetrokken.

De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.