ECLI:NL:RBNNE:2025:4856

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
C/18/248137 / FT RK 25/995
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek om moratorium in het kader van de schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 27 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot het instellen van een moratorium, ingediend door verzoeker in het kader van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker, die in financiële problemen verkeert, heeft op 15 september 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en tegelijkertijd om een moratorium op te leggen om een ontruiming van zijn woning te voorkomen. De rechtbank heeft op 16 september 2025 een tussenvonnis gewezen en de zaak verwezen naar een zitting op 20 oktober 2025, waarbij een tijdelijke voorziening is getroffen.

Tijdens de zitting op 20 oktober 2025 is gebleken dat verzoeker de huur van zijn woning te laat heeft betaald en dat er geen begin is gemaakt met een schuldregeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker de voorwaarden uit het tussenvonnis niet is nagekomen en dat zijn financiële situatie onduidelijk is, mede door een terugval in drugsgebruik. De verhuurder heeft verweer gevoerd en aangegeven dat de huur de afgelopen maanden niet tijdig is voldaan, wat de zorgen over de stabiliteit van verzoekers inkomen vergroot.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in het minnelijk traject tot een regeling met zijn schuldeisers te komen. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen ruimte is voor het uitspreken van een moratorium, aangezien er nog geen begin is gemaakt met een schuldregeling en er onvoldoende bewijs is dat verzoeker in staat is om tijdig een aanbod aan zijn schuldeisers te doen. Het verzoek tot moratorium is dan ook afgewezen, en verzoeker is opgedragen binnen twee weken aan te geven of hij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling handhaaft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/248137 / FT RK 25/995

vonnis van 27 oktober 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder] ,vertegenwoordigd door Flanderijn, correspondentieadres: [adres] , hierna te noemen de verhuurder.

PROCESGANG

Op 15 september 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 16 september 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 20 oktober 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen:
  • verzoeker,
  • mevrouw [schuldhulpverlener 1] en mevrouw [schuldhulpverlener 2] , beiden werkzaam bij de Volkskredietbank Noordoost Groningen, hierna te noemen de schuldhulpverlener,
  • namens de verhuurder mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] ,
  • mevrouw [naam 3] , werkzaam bij [coaching bedrijf ]

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 18 september 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 8 oktober 2025 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. Het budgetbeheer is opgestart door de VKB. Verzoeker ontvangt wekelijks zijn salaris. Van het op 25 september en 3 oktober ontvangen salaris is door de VKB eerst het leefgeld aan verzoeker betaald en daarna Vattenfall.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Op 10 oktober 2025 is de huur van de maand september 2025 betaald en op 20 oktober 2025 de huur van de maand oktober 2025. Omdat verzoekeer wekelijks wordt uitbetaald, lukt het niet om de huur tijdig te betalen. Getracht zal worden om een regeling te treffen met de verhuurder. Het minnelijk traject is nog niet opgestart omdat er eerst sprake dient te zijn van een financieel stabiele situatie.
De verhuurder voert verweer en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De afgelopen drie maanden is de huur te laat betaald. De verhuurder uit haar zorgen of sprake is van een stabiel inkomen gelet op de verschillende werkgevers, die verzoeker heeft gehad. Verder heeft verzoeker gelet op de staat waarin de woning zich bevond een gedragsaanwijzing gehad, die hij niet volledig heeft nageleefd.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij sinds augustus 2025 fulltime werkzaam is en dat hij daarvoor 12 jaar heeft gewerkt bij [bedrijf 1] en daarna vijf jaar via een uitzendbureau bij [bedrijf 2] , waar hij in 2024 is weggegaan na een conflict over geld.
Op 1 november 2024 is een WW-uitkering aangevraagd. Voorts heeft verzoeker verklaard dat hij een terugval heeft gehad in het gebruik van drugs nadat de politie in januari 2025 een huisinval heeft gedaan op verdenking van wietteelt, waarbij de verhuurder ook aanwezig was. Dit speelde twee jaar geleden ook en is toen verkeerd afgelopen. Volgens verzoeker is hij verslaafd geweest aan cocaïne. Sinds drie en een halve maand is er geen sprake meer van gebruik van drugs. Verzoeker heeft aangegeven dat hij een jaar clean is geweest voordat hij in januari 2025 weer cocaïne begon te gebruiken.
Mevrouw [naam 3] heeft ter zitting verklaard dat zij 1 à 2 keer per week gesprekken voert met verzoeker en dat zij hem als ervaringsdeskundige begeleidt met zijn verslavingsproblematiek en zijn huishouden.

BEOORDELING

De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. Met betrekking tot de vraag of de voorziening gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de voorwaarden uit het tussenvonnis van 16 september 2025 niet is nagekomen. Verzoeker heeft de huur vanaf 16 september 2025 niet tijdig voldaan. Gelet op het feit dat niet is voldaan aan de in het tussenvonnis gestelde voorwaarden van tijdige betaling, en onvoldoende gebleken is of de financiële situatie van verzoeker op dit moment stabiel is gelet op zijn terugval in het gebruik van drugs begin dit jaar, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen dient te prevaleren boven het belang van verzoeker om in het minnelijk traject met zijn schuldeisers overeenstemming te bereiken over een minnelijke schuldregeling.
Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende.
Blijkens de wetsgeschiedenis heeft een moratorium tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken. In het minnelijk traject moet de schuldenaar zijn best doen om te komen tot een dergelijke regeling. Een moratorium kan derhalve niet alleen worden benut voor het stabiliseren van de situatie van de schuldenaar.
Gelet op dit criterium is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak thans geen ruimte is voor het uitspreken van een (langer) moratorium. Er is nog geen start gemaakt met een schuldregeling. Een getekende schuldregelingsovereenkomst ontbreekt en er is nog geen begin gemaakt met een inventarisatie van de schulden door een schuldhulpverlener. Nu er nog geen begin is gemaakt met het inventariseren van de schulden en er overigens geen omstandigheden zijn gebleken die erop duiden dat tijdig een aanbod aan de schuldeisers kan worden gedaan, kan niet worden gezegd dat sprake is van een (voldoende solide basis voor een) minnelijk traject dat moet kunnen worden voortgezet om te komen tot een regeling met de schuldeisers.
De gevraagde voorziening zal gelet op het bovenstaande dan ook worden afgewezen.
Verzoeker dient binnen twee weken na heden aan te geven of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gehandhaafd. Indien verzoeker niet binnen twee weken reageert, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd.

BESLISSING

De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.