Op 18 september 2024 schoot verdachte met een vuurwapen op het slachtoffer, waarbij deze vier schotwonden in zijn bovenbenen opliep. Verdachte ontkende het bezit van een wapen, maar de rechtbank achtte bewezen dat hij met een vuurwapen op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag wegens onvoldoende bewijs.
De verdediging stelde niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens vormverzuimen, waaronder het niet afnemen van schiethanden en het niet veiligstellen van een boksbeugel. De rechtbank oordeelde dat alleen het niet veiligstellen van de boksbeugel een onherstelbaar vormverzuim was, maar dat dit de belangen van verdachte niet zodanig schaadde dat niet-ontvankelijkheid moest volgen.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar, mede gelet op de ernst van het letsel en de impact op het slachtoffer, die blijvende fysieke en psychische schade heeft. De gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij werd deels toegewezen: materiële schade van €885 en immateriële schade van €40.000, terwijl posten zoals inkomstenderving en toekomstige schade werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.