ECLI:NL:RBNNE:2025:4287

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/247797 / FT RK 25/962
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in faillissementszaak met weigerachtige schuldeiser

Op 15 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden uitspraak gedaan in een faillissementszaak waarbij een verzoeker een dwangakkoord heeft aangeboden aan zijn schuldeisers. Het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord is op 5 september 2025 ingediend. Tijdens de zitting op 1 oktober 2025 was de verzoeker aanwezig, bijgestaan door een schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder. De schuldeiser, vertegenwoordigd door Florijn Incasso, heeft ingestemd met het voorstel, maar de Belastingdienst, als enige weigerachtige schuldeiser, heeft niet gereageerd op het aanbod.

De rechtbank overweegt dat het een schuldeiser vrijstaat om zijn medewerking aan een schuldregeling te weigeren, maar dat er in dit geval geen belang is gebleken voor de Belastingdienst om te weigeren. De rechtbank heeft de inhoud van het akkoord vergeleken met de situatie waarin de verzoeker zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank concludeert dat de vooruitzichten voor de Belastingdienst bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping, en dat de verzoeker en de overige schuldeisers belang hebben bij de aanvaarding van de schuldregeling.

De rechtbank heeft daarom het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord toegewezen en de Belastingdienst bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot de WSNP is als ingetrokken beschouwd. Deze beslissing is openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga, en tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/247797 / FT RK 25/962

vonnis van 15 oktober 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verzoeker] ,
tegen
[schuldeiser] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , vertegenwoordigd door Florijn Incasso, correspondentieadres: [adres]
hierna te noemen [schuldeiser] .
en
Belastingdienst LIC, gevestigd te Heerlen,
correspondentieadres: Postbus 100,6400 AC Heerlen,
hierna te noemen Belastingdienst.

PROCESGANG

Op 5 september 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.)
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
1 oktober 2025. Hierbij zijn verschenen [verzoeker] bijgestaan door de heer [schuldhulpverlener] werkzaam bij [schuldhulpbedrijf] en de heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder bij [bewindsvoeringbedrijf]
Florijn Incasso heeft namens client [schuldeiser] op 17 september 2025 bij brief laten weten alsnog akkoord te gaan met het aangeboden voorstel.
Verweerder Belastingdienst is, ondanks naar behoren opgeroepen, niet ter zitting verschenen en heeft geen schriftelijk verweer gevoerd.

RECHTSOVERWEGINGEN

[verzoeker] heeft op of omstreeks 17 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in: verzoeker zal gedurende 18 maanden zijn afloscapaciteit, vastgesteld volgens de VTLB-rekenmethode, sparen. [schuldhulpbedrijf] houdt toezicht op de nakoming van de verplichtingen op grond van de schuldregeling. Jaarlijks zal er een inkomenstoets plaatsvinden, waarbij de afloscapaciteit zal worden herberekend. Ten tijde van het aanbod is de prognose van [schuldhulpbedrijf] dat er circa 9,79 % aan de concurrente schuldeisers en circa 19,59 % aan de preferente schuldeisers kan worden aangeboden tegen finale kwijting.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve Belastingdienst aanvaard.
[verzoeker] heeft in het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Belastingdienst heeft, ondanks herhaald verzoek, niet gereageerd op het voorstel. Daarmee moet zij worden aangemerkt als weigerachtige schuldeiser.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Bij de beoordeling van de vraag of Belastingdienst in redelijkheid tot weigering kon komen zal allereerst moeten worden gekeken naar de inhoud van het akkoord, vergeleken met de situatie waarin verzoeker toegelaten zouden worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), zoals subsidiair verzocht.
Tijdens de WSNP zal gespaard worden volgens nagenoeg hetzelfde systeem als gehanteerd wordt tijdens de schuldregeling door [schuldhulpbedrijf] . Tijdens de WSNP zal het bewindvoerderssalaris moeten worden betaald. Deze kosten zullen circa € 4.757,00 zijn (gebaseerd op de huidige bedragen, het bewindvoerderssalaris zal echter elk jaar stijgen) te vermeerderen met griffierecht voor het deponeren van de uitdelingslijst ten bedrage van
€ 797,00. De totale kosten in het minnelijke traject bij [schuldhulpbedrijf] zijn aanzienlijk lager en bedragen € 444,77, zodat tijdens het minnelijk traject daarom naar verwachting uiteindelijk een hoger bedrag uitgekeerd kan worden dan tijdens de WSNP.
Niet valt te verwachten dat in de voornoemde schuldregeling veel verandering zal gaan plaatsvinden. Verzoeker heeft een contract en is fulltime werkzaam.
Gelet op de aanzienlijk hogere kosten die aan de wettelijke schuldsaneringsregeling verbonden zijn, acht de rechtbank de kans gering dat de schuldeisers een hogere uitkering zullen ontvangen in de wettelijke schuldsaneringsregeling dan in het minnelijk traject. Bovendien betreft het aanbod dat is gedaan een prognoseaanbod, in plaats van het beschikbaar stellen van een saneringskrediet. Dit betekent dat in het geval verzoeker gedurende het minnelijk traject een hoger inkomen zal genereren dit eveneens ten guste van de schuldeisers zal komen.
Nu de vooruitzichten voor Belastingdienst als schuldeiser bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat hij op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Belastingdienst geen belang heeft bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling, zoals nader uiteen zal worden gezet. Daarbij komt dat de Belastingdienst niet heeft gereageerd op het aanbod zodat er ook niet van een belang is gebleken waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden in haar beoordeling.
Verzoeker zal bij aanvaarding van de schuldregeling reeds thans vrij van problematische schulden voort kunnen leven, terwijl hij bij verwerping van de schuldregeling een beroep zal moeten doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling, die een looptijd van achttien maanden heeft en voor hem belastend is. De rechtbank merkt dit belang aan als een rechtens te respecteren belang.
Ten aanzien van de belangen van de overige schuldeisers overweegt de rechtbank dat nu de vooruitzichten voor de schuldeisers bij aanvaarding van de aangeboden schuldregeling gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, de aanvaarding in het belang van de overige schuldeisers is. Dit klemt temeer nu de schuldeisers die wel akkoord zijn, tezamen
63,46 % van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.
Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken.

BESLISSING

De rechtbank
- beveelt Belastingdienst in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling;
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.