ECLI:NL:RBNNE:2025:4285

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/248247 / FT RK 25/1009
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium in het kader van een schuldsaneringsregeling met betrekking tot huurbetalingen

Op 29 september 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, geboren in 2002, een moratorium heeft aangevraagd in het kader van de schuldsaneringsregeling. Dit verzoek werd ingediend door de Gemeentelijke Kredietbank Midden-Groningen, die ook de verzoeker bijstaat in zijn financiële problemen. De verzoeker had een huurachterstand van ongeveer € 12.000,00 en de verhuurder, vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, had een verweerschrift ingediend. De zitting vond plaats op 22 september 2025, waar verschillende betrokkenen, waaronder de schuldhulpverlener en de budgetbeheerder, aanwezig waren.

De rechtbank moest een belangenafweging maken tussen de verzoeker, die zijn huurwoning wilde behouden om aan zijn schuldenproblematiek te werken, en de verhuurder, die recht had op tijdige huurbetalingen. De rechtbank concludeerde dat de verzoeker, ondanks zijn eerdere tekortkomingen, nu blijk gaf van bereidheid om samen te werken en dat de gemeente tijdelijk de huur zou voorschieten totdat de uitkering van de verzoeker zou worden ontvangen. De rechtbank besloot daarom het verzoek tot moratorium toe te wijzen voor een periode van zes maanden, met de voorwaarde dat de verzoeker zijn verplichtingen tijdig en volledig nakomt. De rechtbank heeft tevens bepaald dat het verzoek tot schuldsaneringsregeling nog niet werd behandeld, omdat het minnelijk traject nog moest worden afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/248247 / FT RK 25/1009

vonnis van 29 september 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,

PROCESGANG

Op 16 september 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door de Gemeentelijke Kredietbank Midden-Groningen (hierna te noemen: de GKB).
Het verzoek tot het instellen van een moratorium richt zich tegen
[verhuurder] B.V., vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te [adres] hierna te noemen: de verhuurder.
Op 15 september 2025 heeft de verhuurder een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 september 2025, alwaar zijn verschenen:
  • verzoeker, voornoemd, tezamen met zijn vader;
  • de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener bij de GKB;
  • mevrouw [budgetbeheerder] , budgetbeheerder bij de GKB;
  • mevrouw [directrice] , directrice van [verhuurder] B.V.;
  • mr. [juriste] , juriste bij [verhuurder] B.V.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 18 september 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker op het moment van de indiening van het moratoriumverzoek bezig was met het aanvragen van een uitkering en dat hiervoor nog een intakegesprek moest plaatsvinden. Hierdoor is de behandeling van het verzoek meteen op zitting gezet zonder een voorlopige tussenbeslissing te geven.
De verhuurder heeft in haar verweerschrift van 15 september 2025 aangevoerd dat verzoeker al ruim een jaar de huur niet meer betaalt en ook niet gemotiveerd is om de achterstand af te betalen. Verzoeker heeft eerder hulp ingeschakeld van de GKB, maar heeft toen totaal geen medewerking verleend. Daarnaast veroorzaakt verzoeker volgens de verhuurder overlast.
Ter zitting heeft de schuldhulpverlener verklaard dat de aanvraag van de uitkering op grond van de Participatiewet bijna rond is. Het intakegesprek heeft inmiddels plaatsgevonden. Zolang er nog geen uitkering wordt ontvangen, zal de huur uit een speciaal potje voor jongeren met schulden door de gemeente worden voorgeschoten. Hieruit heeft inmiddels ook een huurbetaling plaatsgevonden. Verder heeft de schuldhulpverlener aangevoerd dat verzoeker nu, in tegenstelling tot de vorige keer, zelf hulp heeft gezocht. Het contact met verzoeker verloopt nu goed en vlot. De budgetbeheerder van verzoeker heeft dit bevestigd.
De verhuurder heeft ter zitting aangevoerd dat verzoeker al veel kansen heeft gehad. Haar ervaring met verzoeker is dat hij steeds zijn beloftes niet nakomt. De huurachterstand is inmiddels opgelopen tot circa € 12.000,00. Daarnaast heeft verzoeker al eerder hulp bij de GKB ingeschakeld dat door gebrek aan medewerking van verzoeker weer is beëindigd. De verhuurder is het vertrouwen in verzoeker dan ook kwijt. Ondanks het feit dat er nu weer een huurbetaling is ontvangen, heeft de verhuurder verzocht om het verzoek af te wijzen.
Ter beoordeling van het verzoek dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker en die van de verhuurder. Het belang van verzoeker is gelegen in het behoud van zijn huurwoning, zodat hij aan zijn schuldenproblematiek kan werken. Het belang van de verhuurder bestaat uit het tijdig en volledig ontvangen van de verschuldigde huur. Hoewel de rechtbank het standpunt van de verhuurder gelet op het verloop in deze zaak kan begrijpen, is zij van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoeker dient uit te vallen. De rechtbank legt aan haar beslissing ten grondslag dat verzoeker eindelijk tot het inzicht lijkt te zijn gekomen dat hij hulp nodig heeft. De budgetbeheerder heeft de lopende huur betaald. Volgens de hulpverlening werkt verzoeker nu goed mee en reageert hij vlot. Zolang de uitkering van verzoeker nog niet wordt ontvangen, wordt de huur door de gemeente voorgeschoten. Daarmee lijkt de betaling van de toekomstige huur te zijn gewaarborgd.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verzoeker nog een laatste kans geven om in relatieve rust aan de sanering van de schulden te gaan werken. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.

BESLISSING

De rechtbank
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 29 juli 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 29 september 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
29 september 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.