ECLI:NL:RBNNE:2025:4254

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/24/95 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en verlenging van de looptijd

Op 3 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de schuldenaar, die onder de schuldsaneringsregeling valt. De rechtbank moest beoordelen of de schuldenaar tekortgeschoten was in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder had op 13 augustus 2025 verslag uitgebracht over de beëindiging van de regeling, en de rechter-commissaris had voorgedragen om de regeling te beëindigen. Tijdens de zitting op 19 september 2025, waar zowel de schuldenaar als zijn beschermingsbewindvoerder aanwezig waren, werd duidelijk dat de schuldenaar een nieuwe schuld had bij de Belastingdienst van € 3.611,00, die voortkwam uit onbetaalde motorrijtuigenbelasting. De bewindvoerder gaf aan pas recentelijk van deze schuld op de hoogte te zijn geraakt, terwijl de schuldenaar al eerder had gekozen om zijn auto te behouden, ondanks de hoge kosten. De beschermingsbewindvoerder vroeg om een verlenging van de schuldsaneringsregeling met tien maanden, zodat de nieuwe schuld in termijnen kon worden voldaan. De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar weliswaar tekortgeschoten was, maar besloot de regeling met tien maanden te verlengen, onder de voorwaarde dat de schuldenaar zijn auto zou laten schorsen. De rechtbank weigerde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en stelde de termijn vast op 28 maanden vanaf de dag van de uitspraak. Deze beslissing werd openbaar uitgesproken door mr. I.F. Clement.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer: C/18/24/95 R

vonnis van 3 oktober 2025

[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf schuldenaar] , gevestigd [adres] , onder nummer [nummer] , hierna te noemen de schuldenaar,
bewindvoerder: mr. [bewindvoerder] .

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 27 maart 2024 is ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Door de bewindvoerder is op 13 augustus 2025 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Op 13 augustus 2025 heeft de rechter-commissaris de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 19 september 2025, alwaar de schuldenaar, tezamen met zijn beschermingsbewindvoerder, mw. [beschermingsbewindvoerder] is verschenen. De bewindvoerder is eveneens verschenen, tezamen met een kantoorgenote mw. [kantoorgenote bewindvoerder] .

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ingeval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van ‘de schone lei’.
Uit het verslagen van de bewindvoerder blijkt dat sprake is een nieuwe schuld bij de
Belastingdienst ter hoogte van in totaal € 3.611,00. De vordering ziet op de onbetaalde motorrijtuigenbelasting in de periode 2024-2025.
De bewindvoerder heeft ter zitting toegelicht pas sinds kort met de nieuwe schuld aan de belastingdienst bekend te zijn geworden. Wel is aan het begin van de regeling al met de schuldenaar besproken dat de auto gezien de hoge kosten van de verzekering en motorrijtuigenbelasting niet in het budget van de schuldenaar past. De schuldenaar heeft er evenwel voor gekozen de auto te behouden.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder van de schuldenaar aangegeven dat zij er pas veel te laat achter kwam dat de motorrijtuigenbelasting van de auto van verzoeker niet werd betaald. De motorrijtuigenbelasting is hoog, € 290,00 per maand. De schuldenaar heeft de auto gekregen van familieleden, maar eigenlijk was aan het begin van de regeling al duidelijk dat de auto te duur was. De motorrijtuigenbelasting wordt op dit moment wel betaald, maar er is onvoldoende budget om de achterstand ineens te voldoen. De beschermingsbewindvoerder verzoekt daarom om de looptijd van de schuldsaneringsregeling met tien maanden te verlengen zodat de nieuwe schuld in termijnen kan worden voldaan. Als de auto wordt geschorst zullen de kosten van de motorrijtuigenbelasting en de verzekering wegvallen en zal er voldoende budget zijn om deze aflossingen te kunnen voldoen.
De schuldenaar heeft ter zitting aangegeven dat hij de auto wil laten schorsen, omdat hij op dit moment onvoldoende geld heeft om het onderhoud te kunnen betalen. Daarvoor was het noodzakelijk om eerst een plek te vinden waar de auto kan worden gestald. Dat is inmiddels geregeld en volgens de schuldenaar zal de auto met ingang van 24 september 2025 geschorst kunnen worden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de schuldenaar weliswaar is tekortgeschoten in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, maar dat hieraan vooralsnog geen gevolgen verbonden worden. De rechtbank zal echter, teneinde de schuldenaar in de gelegenheid te stellen de nieuwe schuld aan de belastingdienst volledig te voldoen, de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is verlengen met tien maanden. Deze verlenging wordt verleend onder de strikte voorwaarde dat verzoeker zijn auto heeft laten schorsen zoals ter zitting is toegezegd. De rechtbank gaat er van uit dat de schuldenaar zich in de verlengingsperiode van de schuldsaneringsregeling tot het uiterste zal inspannen om de nieuwe schuld te voldoen en ook voor het overige aan alle verplichtingen voortvloeide uit de schuldsaneringsregeling zal voldoen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de voordracht afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:
- weigert de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar;
- stelt de termijn waarop de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar van toepassing is vast op 28 maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement, en in het openbaar uitgesproken op
3 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.