Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:4125

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
24/2310
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 SWArt. 7 NSWArt. 21 lid 1 SWArt. 21 lid 13 SWArt. 35b SW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling samenloop bedrijfsopvolgingsregeling en Natuurschoonwetfaciliteit bij erfbelasting

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake een aanslag erfbelasting van €1.362.725, verminderd tot €1.362.273. De nalatenschap betrof onder meer aandelen in een vennootschap die een landgoed exploiteert, waarbij zowel de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) als de Natuurschoonwet (NSW)-faciliteit van toepassing waren.

Eiser voerde aan dat de NSW-faciliteit de waarde van het landgoed op nihil moet stellen zonder rekening te houden met schulden, wat zou leiden tot een lagere aanslag van €113.641. De inspecteur stelde dat de berekening moet uitgaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen inclusief het landgoed, wat resulteert in een aanslag van €1.362.273.

De rechtbank stelde vast dat de BOR en NSW-faciliteit samenlopen en dat op grond van artikel 7 NSW Pro twee aparte berekeningen moeten worden gemaakt: de aanslag volgens de aanslag en de aanslag waarbij de waarde van het landgoed op nihil wordt gesteld. De rechtbank volgde de inspecteur in het gebruik van de liquidatiewaarde voor de berekening, wat resulteert in een NSW-faciliteit van €38.603.

De rechtbank concludeerde dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. Het doel van de NSW-faciliteit, het in stand houden van landgoederen, wordt hiermee bereikt. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag erfbelasting van €1.362.273.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2310
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Bom),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 maart 2024.
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser een aanslag erfbelasting opgelegd (de aanslag) met een te betalen bedrag van € 1.362.725.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 1.362.273.
1.4.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, [bijstand eiser] en
[bijstand eiser] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [medewerker inspecteur] ,
[medewerker inspecteur] en [medewerker inspecteur] .

Feiten

2.
2.1.
Op 26 december 2019 is de moeder van eiser, [moeder van eiser] (erflaatster), overleden. Erflaatster heeft eiser benoemd tot haar enige erfgenaam.
2.2.
De nalatenschap bestaat onder meer uit alle aandelen in het kapitaal van [naam vennootschap] B.V. (de vennootschap). Dit is een fiscaal transparante vennootschap als bedoeld in artikel 7a van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). Tot de bezittingen van de vennootschap behoort het opengestelde landgoed “ [naam landgoed] ” (het landgoed). Het landgoed is gerangschikt als landgoed in de zin van de NSW. De vennootschap drijft met het overgrote deel van de tot het landgoed behorende landbouw-, bosbouw- en natuurgronden een (agrarische) onderneming, waarop de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van artikel 35b en verder van de Successiewet 1956 (SW) van toepassing is.
2.3.
Eiser heeft ter zake van de nalatenschap een aangifte erfbelasting ingediend. Hierbij heeft hij ter zake van het ondernemingsvermogen van de vennootschap een beroep gedaan op de voorwaardelijke vrijstelling van de BOR en ter zake van het landgoed op de invorderingsvrijstelling van artikel 7 NSW Pro (de NSWfaciliteit).
2.4.
Eiser is in zijn aangifte voor de toepassing van de BOR uitgegaan van een waarde going concern van het ondernemingsvermogen van de vennootschap van € 2.220.227. Bij de vaststelling van de aanslag is de inspecteur niet hiervan uitgegaan, maar van een (hogere) liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen van € 53.364.828. Op grond van de BOR is een voorwaardelijke vrijstelling verleend van € 53.171.814.
2.5.
De verschuldigde erfbelasting bedraagt volgens de aanslag € 1.400.876 over een belaste verkrijging van € 7.066.747. Na aftrek van de NSW-faciliteit van € 38.151 is het te betalen aanslagbedrag € 1.362.725, zijnde de terstond invorderbare belasting.
2.6.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de NSW-faciliteit vastgesteld op € 38.603 en het te betalen aanslagbedrag op € 1.362.273.

Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is welk bedrag aan erfbelasting (voorwaardelijk) buiten de invordering blijft op grond van de NSW-faciliteit.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1, lid 1, ten eerste van de SW wordt erfbelasting geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde.
4.2.
Artikel 21, lid 1 van de SW bepaalt dat het verkregene in aanmerking genomen wordt naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.
4.3.
Artikel 21, lid 13 van de SW bepaalt dat de waarde van een onderneming wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern), maar ten minste op de liquidatiewaarde.
4.4.
In artikel 7, eerste lid, van de NSW is bepaald dat, indien tot een verkrijging in de zin van de SW een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als een landgoed - mits aan de in het daarop volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan - geen invordering plaatsvindt van het verschil tussen de volgens de aanslag verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat landgoed gesteld op nihil.
Standpunten van partijen
5.
5.1.
Eiser stelt – samengevat – dat het bij artikel 7 van Pro de NSW gaat om een vermindering van de (belastbare) waarde voor de erfbelasting met de NSW-gerangschikte bezittingen, zonder rekening te houden met eventuele daarmee samenhangende schulden. De NSW-faciliteit beperkt zich tot het op nihil stellen van de waarde van het landgoed en laat de overige grondslagen waarop de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting is gebaseerd, onveranderd. Volgens eiser moet de aanslag worden vastgesteld op € 113.641. Eiser berekent dit door de waarde going concern van de NSW-gerangschikte goederen van € 6.436.174 in mindering te brengen op de belaste verkrijging van € 7.066.747 (zie 2.5.). De belaste verkrijging met toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt dan € 630.573, waarover de erfbelasting van € 113.641 direct invorderbaar is.
5.2.
De inspecteur voert – ook samengevat – aan dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Volgens de inspecteur moet voor de berekening van de verschuldigde erfbelasting worden uitgegaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen en de NSW-gerangschikte goederen. De liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen mét toepassing van de NSW-faciliteit bedraagt volgens de inspecteur € 459.846. De hierop volgende berekening van de inspecteur van de erfbelasting met toepassing van de NSW-faciliteit kan cijfermatig als volgt worden weergegeven:
Berekening
Verkrijging
Erfbelasting
Ondernemingsvermogen incl. landgoed
€ 459.856
Overige privé bezittingen
€ 7.778.876
Totaal bezittingen
€ 8.128.732
Totaal privé schulden
€ 697.178
Saldo nalatenschap
€ 7.431.554
-/- begrafeniskosten
€ 15.501
Zuiver saldo nalatenschap
€ 7.416.053
-/- 3 legaten kleinkinderen á € 20.616
€ 61.848
Verkrijging eiser
€ 7.354.205
-/- vrijstelling
€ 20.616
Belaste verkrijging zonder BOR
€ 7.333.589
-/- BOR vrijstelling
€ 459.856
Belaste verkrijging met BOR
€ 6.873.733
€ 1.362.273
Volgens de inspecteur bedraagt de vrijstelling op grond van de NSW-faciliteit dan:
€ 1.400.876 (zie 2.5) -/- € 1.362.273 = € 38.603.
Oordeel van de rechtbank
6.
6.1.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld die -naar haar weten- niet eerder aan een rechter is voorgelegd en die in de vakliteratuur tot op heden als een vooral theoretische mogelijkheid is besproken, namelijk de vraag hoe om te gaan met een geval waarin sprake is van een samenloop van de BOR en de NSW-faciliteit. De rechtbank leidt uit de tekst van artikel 7, eerste lid, van de NSW af dat voor de vaststelling van de hoogte van de NSW-faciliteit twee aparte berekeningen moeten worden gemaakt. De rechtbank duidt dit hierna aan als ‘berekening a’ en ‘berekening b’. Berekening a is de volgens de aanslag verschuldigde erfbelasting. Die bedraagt € 1.400.876 en is tussen partijen niet in geschil. Berekening b is de erfbelasting welke verschuldigd zou zijn als de waarde van het landgoed wordt gesteld op nihil.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moest de inspecteur, anders dan eiser meent, op grond van artikel 21, lid 13 van de SW voor berekening b uitgaan van de liquidatiewaarde van het ondernemingsvermogen. De liquidatiewaarde is in dit geval namelijk hoger dan de waarde going concern. Eiser heeft de door de inspecteur gehanteerde liquidatiewaarden van de NSW-gerangschikte goederen niet betwist, zodat de rechtbank voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde erfbelasting als de waarde van de NSW-gerangschikte goederen op nihil wordt gesteld aansluit bij de onder 5.2. genoemde berekening van de inspecteur. Uit deze ‘berekening b’ van de inspecteur volgt het bedrag van € 1.362.273. Dit betekent dat de NSW-faciliteit € 38.603 bedraagt en dat de aanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.
6.3.
Over de stelling van eiser dat de NSW-faciliteit niet ten volle kan worden benut, overweegt de rechtbank als volgt. De NSW-faciliteit voor de erf- en schenkbelasting is in het leven geroepen om te stimuleren dat economisch vaak weinig rendabele landgoederen in stand worden gehouden c.q. worden gecreëerd. [1] In de berekening zoals de inspecteur deze heeft gemaakt is per saldo geen erfbelasting verschuldigd over de NSW-gerangschikte goederen. Het grootste deel van het ondernemingsvermogen van de vennootschap en daarmee ook het overgrote deel van de NSW-gerangschikte goederen is al vrijgesteld van erfbelasting op grond van de BOR. Op het kleine deel van de NSW-gerangschikte goederen dat niet is vrijgesteld op grond van de BOR ziet de NSW-faciliteit die aanvullend een bedrag van € 38.603 buiten invordering stelt, zodat daarmee het doel van de NSW wordt behaald. De hier besproken stelling van eiser kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, voorzitter, en mr. M. Sanna en
mr. O. Brands, leden, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 30 september 2025.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 030, nr. 3, p. 11.