Op 24 februari 2023 werd verdachte betrapt op het voorhanden hebben van een pistool van het merk OMC type Back Up kaliber .380 en zes stuks bijbehorende kogelpatronen. Het wapen werd door verdachte uit een woning meegenomen, in zijn tas gedaan en in zijn auto achtergelaten. De politie trof het wapen later die dag aan in de auto van verdachte.
De verdediging voerde aan dat verdachte het wapen slechts kort onder zich had en dat het niet zijn wapen was, waardoor geen sprake zou zijn van beschikkingsmacht. Ook werd betoogd dat verdachte handelde uit een hoger rechtsbelang om gevaar te voorkomen, wat een strafuitsluitingsgrond zou vormen. De rechtbank verwierp deze verweren en stelde vast dat verdachte het wapen bewust en gedurende geruime tijd onder zich had.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden had en veroordeelde hem op grond van de Wet wapens en munitie. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en positieve reclasseringsrapport, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 124 dagen op, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De onvoorwaardelijke straf werd gematigd vanwege de omstandigheden en het tijdsverloop.