De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 augustus 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met twee minderjarige slachtoffers in de periode van 2014 tot 2020. De tenlastelegging betrof meerdere ontuchtige handelingen, waaronder het aftrekken van verdachte door de slachtoffers en het aanraken van hun intieme delen.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 18 maanden, stellende dat de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en consistent waren en ondersteund werden door steunbewijs. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onderling tegenstrijdig waren en dat steunbewijs ontbrak, waardoor het bewijs onvoldoende was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er overeenkomsten waren in de verklaringen, er op essentiële onderdelen tegenstrijdigheden bestonden die niet verklaard konden worden door subjectieve beleving of tijdsverloop. Hierdoor ontbrak de vereiste mate van zekerheid om verdachte te veroordelen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werden de vorderingen tot schadevergoeding van de slachtoffers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de feiten niet bewezen waren en dergelijke vorderingen bij de burgerlijke rechter thuishoren.