ECLI:NL:RBNNE:2025:3227

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
LEE 24/2064
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen gedeeltelijke inzage politiegegevens ondanks detentie eiser

Eiser verzocht op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) inzage in politiegegevens die over hem zijn verwerkt. De korpschef verleende gedeeltelijke inzage in twee besluiten, waartegen eiser beroep instelde. Het eerste beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, omdat het tweede besluit het eerste verving.

Eiser stelde dat hij zelf de stukken niet kon inzien vanwege zijn detentie en dat inzage via zijn advocaat onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke onmogelijkheid van inzage door detentie niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit. Dit risico ligt bij eiser zelf.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond en liet het besluit in stand. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter N.M. van Waterschoot op 6 augustus 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond verklaard; het tweede besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Politie Eenheid Oost-Nederland, de korpschef.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 26 januari 2024 op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg) verzocht om inzage in politiegegevens die over hem zijn verwerkt en geregistreerd. Het gaat om GRIP-gegevens vanaf 1 november 2023 en om inzage in de overige politiegegevens vanaf 1 mei 2023. Dit verzoek is op 7 februari 2024 door de korpschef ontvangen. De korpschef heeft eisers verzoek op 3 april 2024 toegewezen (bestreden besluit 1).
1.1.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld en beroepsgronden aangevoerd.
1.2.
De korpschef heeft op 20 augustus 2024 een aanvullend besluit genomen. Hierin heeft de korpschef besloten eiser inzage te verlenen in een deel van eisers politiegegevens en aan eiser een overzicht verstrekt van registraties en antecedenten waarin informatie over eiser is verwerkt, met uitzondering van de gegevens die worden geweigerd op grond van artikel 27 van Pro de Wpg. Het beroep van eiser is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook tegen het besluit van 20 augustus 2024 gericht (bestreden besluit 2).
1.3.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 een beroepsgrond aangevoerd.
1.4.
De zitting vond plaats op 9 juli 2025. De rechtbank heeft het onderzoek geopend, maar partijen waren niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit 1
2. De rechtbank is van oordeel dat door bestreden besluit 2 er geen belang meer is bij een beoordeling van bestreden besluit 1. Eiser heeft ook niet naar voren gebracht dat hij nog een belang zou hebben bij een beoordeling van dat besluit.
2.1.
De rechtbank zal om de voorgaande reden het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang.
Bestreden besluit 2
3. Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 alleen naar voren gebracht dat het voor hem onmogelijk is de stukken in te zien omdat hij gedetineerd zit. Eiser stelt dat de door de korpschef aangegeven mogelijkheid dat zijn advocaat de stukken kan inzien, niet deugdelijk is, omdat hij zelf de stukken wil inzien en zijn advocaat er alleen bij aanwezig zou zijn om hem te adviseren en te helpen met het maken van aantekeningen.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat eiser zelf feitelijk niet in staat is om de stukken te kunnen inzien omdat hij gedetineerd is, maakt niet dat het besluit onrechtmatig is. Dat eiser daartoe feitelijk niet in staat is komt voor zijn rekening en risico. Eiser heeft verder geen gronden naar voren gebracht die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat aan het bestreden besluit 2 rechtmatigheidsgebreken kleven.
3.2.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser tegen bestreden besluit 2 ongegrond is. Dat betekent dat bestreden besluit 2 in stand blijft.
4. Voor een vergoeding van griffierecht of proceskosten vanwege de toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding. Eiser heeft vanwege betalingsonmacht geen griffierecht betaald. Verder is van proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
- het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.