ECLI:NL:RBNNE:2025:3121

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
18.147384.23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en gedeeltelijke veroordeling van verdachte in drugszaken en diefstal elektriciteit

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 29 juli 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van verschillende strafbare feiten, waaronder het produceren van harddrugs en diefstal van elektriciteit. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen. De rechtbank oordeelde dat de handelingen van de verdachte onvoldoende gewicht hadden om hem als medepleger aan te merken. Echter, de verdachte is wel gedeeltelijk schuldig bevonden aan andere feiten, waaronder het voorbereiden van de productie van MDMA en amfetamine, en het telen van hennepplanten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte een schuur ter beschikking heeft gesteld voor de productie van drugs en dat hij betrokken was bij de illegale aftakking van elektriciteit ten behoeve van een drugslaboratorium. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 193 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Daarnaast is de verdachte verplicht om een deel van de kosten van de opruiming van het drugslaboratorium te vergoeden, ter hoogte van 7.357,26 euro. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.147384.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juli 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte ] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw- Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een (deel van een) schuur op het perceel [adres] te Nieuw-Amsterdam ter beschikking te stellen;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw- Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,
bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of vervaardigen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
  • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
  • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
  • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders in voornoemde periode / op voornoemd(e) tijdstip(pen) in voornoemde pleegplaats
  • (een deel van) een schuur aan de [adres] als opslagruimte voor chemicaliën en/of grondstoffen en/of als productieruimte ter beschikking gesteld en/of
  • het faciliteren van hand- en spandiensten door middel van het tillen van jerrycans en/of het verzorgen/geven van eten en drinken en/of
  • (een of meer onderdelen van) een productieopstelling aangeschaft en/of voorhanden gehad, waaronder een reactor en/of een of meer jerrycan(s) en/of
  • een grote hoeveelheid (laboratorium) benodigdheden aangeschaft en/of laten aanschaffen en/of vervoerd en/of laten vervoeren en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad en/of
  • een grote hoeveelheid chemicaliën en/of grondstoffen (BMK, BMK-glycidezuur, PMK, zout van IMDPAM, natriumboorhydride, methanol, fosforzuur), bedoeld voor de productie van MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, aangeschaft en/of laten aanschaffen en/of vervoerd en/of laten vervoeren en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad en/of
  • (aldus) een laboratorium- en/of productieopstelling voor het vervaardigen van MDMA en/of amfetamine, althans synthetische drugs, voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 maart 2023 tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) ongeveer 756, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
4.
hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2013 tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V. , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waarbij verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit, althans enig goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
5.
hij op of omstreeks 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het
merk Rohm, type RG 96, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
  • munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten een of meerdere knalpatronen, 9x mm kaliber
  • munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten een of meerdere pyrotechnische munitie, 15 mm kaliber voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de handelingen die verdachte heeft verricht van onvoldoende gewicht zijn om hem als medepleger van de productie van harddrugs aan te merken. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en voor het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat de handeling onder het eerste gedachtestreepje, te weten een ander trachten te bewegen een strafbaar feit te plegen, evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen. Voorts heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, noch van een bijdrage van voldoende gewicht van verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ten laste gelegde periode onjuist is en deze bij een bewezenverklaring gelijk moet zijn aan de periode dat het drugslab in werking was. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en het onder 3 en 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de exploitanten van het drugslaboratorium. De rol van verdachte met betrekking tot het drugslaboratorium is van onvoldoende gewicht geweest om hem te kunnen aanmerken als medepleger. Uit de inhoud van het dossier is immers niet gebleken dat verdachte direct betrokken is geweest bij het produceren van drugs in de door hem daarvoor ter beschikking gestelde schuur, noch dat verdachte hieraan een zodanige substantiële bijdrage heeft geleverd dat van medeplegen kan worden gesproken. Het handelen van verdachte, te weten het ter beschikking stellen van diens schuur en het faciliteren van hand- en spandiensten, is van onvoldoende gewicht om verdachte aan te merken als medepleger.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 5 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Verdachte heeft het onder 1 subsidiair en het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig bekend, zodat de rechtbank ten aanzien van deze feiten volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de door verdachte ter terechtzitting van 15 juli 2025 afgelegde verklaring;
een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer [nummer] , d.d. 17 juni 2023 opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, inhoudend zijn/haar verklaring;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2023, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 5 maart 2024, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2023, opgenomen op pagina 196 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van het feit heeft verschaft en voorwerpen, stoffen en een laboratoriumopstelling voor het vervaardigen van MDMA en amfetamine voorhanden had waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit. Deze gedragingen kunnen op grond van artikel 10a van de Opiumwet worden gekwalificeerd als het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Dit is een op zichzelf staand strafbaar feit waaraan verdachte zich in de ogen van de rechtbank schuldig heeft gemaakt door (een deel van) zijn schuur ter beschikking te stellen, jerrycans te tillen en door het geven van eten en drinken aan de exploitanten. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte heeft getracht een ander te bewegen een strafbaar feit te plegen. Voor de onder de overige gedachtestreepjes ten laste gelegde handelingen ziet de rechtbank evenmin wettig en overtuigend bewijs in het dossier. Verdachte zal in zoverre partieel worden vrijgesproken.
Voor wat betreft kort gezegd de medeplichtigheid aan het vervaardigen van een materiaal bevattende metamfetamine (feit 1 subsidiair) en de voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van MDMA, amfetamine en/of metamfetamine (feit 2 primair) is sprake van eendaadse samenloop, omdat het om dezelfde handelingen gaat en beide strafbepalingen dezelfde rechtsbelangen beschermen. Hiermee zal rekening worden gehouden bij de strafoplegging.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde
Met de raadsvrouw acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangetroffen hennepkwekerij tezamen en in vereniging met anderen heeft geëxploiteerd. Hoewel er twee stoelen en
twee vervuilde knipscharen zijn aangetroffen, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat verdachte bij het plegen van dit feit nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander. Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard een groeischema te hebben opgesteld met behulp van een ander maakt dit niet anders. Als derden al een rol hebben gespeeld, is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vast te stellen of hun rol van voldoende gewicht was om het bestanddeel in vereniging bewezen te verklaren. Gelet op het voorgaande zal verdachte in zoverre partieel worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
De rechtbank past ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. de door verdachte ter terechtzitting van 15 juli 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik wist dat er een illegale aftakking werd gemaakt ten behoeve van het drugslaboratorium. De personen die het drugslaboratorium exploiteerden hebben de illegale aftakking gemaakt, maar ik was erbij toen dat gebeurde.
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 juni 2023, opgenomen op pagina 347 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 5 maart 2024, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Je hebt verklaard er geen illegaal stroom werd afgetapt voor de hennepkwekerij. Althans niet in het begin. Vanaf wanneer werd de stroom illegaal afgetapt?
A: Vier weken geleden, zeg maar vijf weken ongeveer. Toen die dinges is begonnen. V: Wat is die dinges?
A: Ik kom er niet op.
V: Het lab?
A: Ja, toen hebben ze alles andersom aangelegd
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juli 2023, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 209 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] namens Enexis :
Op 17 juni 2023 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [adres] te Nieuw-Amsterdam. Uit onderzoek bleek dat er een illegale aansluiting na de hoofdbeveiliging was gemaakt in de hoofdaansluitkast. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de elektrische installatie in het betreffende pand en de aangesloten installatie voorzag van elektriciteit. Uit onderzoek bleek dat de hoofdveiligheden in de aansluitkast van Enexis Netbeheer zijn gemanipuleerd. Door het verzwaren van de hoofdzekeringen is er meer vermogen beschikbaar dan contractueel is overeengekomen met de contractant. Om deze aftakking en uitbreiding/verzwaring te kunnen realiseren is het noodzakelijk geweest dat het door Enexis Netbeheer verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd is of is geweest. De door Enexis Netbeheer aangebrachte zegels zijn dus verwijderd, vervangen en of gemanipuleerd.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de illegale aftakking is gemaakt door de exploitanten van het drugslaboratorium. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er vóór de inrichting van het drugslaboratorium al een illegale aftakking bestond. Daarom beperkt de rechtbank in de bewezenverklaring de pleegperiode tot de periode waarin het drugslaboratorium is ingericht, te weten 22 mei 2023 tot en met 17 juni 2023. De rechtbank is daarbij van oordeel dat hoewel de aangifte van Enexis enkel ziet op een illegale aftakking ten behoeve van de hennepkwekerij, deze aangifte breder moet worden bezien in de context van de feiten. De rechtbank beschouwt derhalve deze aangifte als ook betrekking hebbend op het drugslaboratorium. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de exploitanten van het drugslaboratorium toegang heeft verschaft tot de hoofdaansluitkast in zijn woning en aanwezig was terwijl de exploitanten de illegale aftakking maakten. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de diefstal van elektriciteit waarbij verdachte een substantiële rol heeft gespeeld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
een of meer tot op heden onbekend gebleven personen in de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, met elkaar, opzettelijk hebben vervaardigd en opzettelijk aanwezig hebben gehad, hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die tot op heden onbekend gebleven personen een schuur op het perceel [adres] te Nieuw-Amsterdam ter beschikking te stellen;
2.
hij in de periode van 22 mei tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van hoeveelheden MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
  • een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
  • voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, en zijn mededaders in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats
  • een deel van een schuur aan de [adres] als opslagruimte voor chemicaliën en grondstoffen en als productieruimte ter beschikking gesteld en
  • het faciliteren van hand- en spandiensten door middel van het tillen van jerrycans en het geven van eten en drinken en
  • een laboratorium- en productieopstelling voor het vervaardigen van MDMA en amfetamine, voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;
3.
hij in de periode van 10 maart 2023 tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld en verwerkt, in een pand aan [adres] , 756 hennepplanten, zijnde een grote hoeveelheid als
bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.
hij in de periode van 22 mei 2023 tot en met 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit geheel toebehorende aan Enexis B.V. , waarbij verdachte en zijn medeverdachten die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
5.
hij op 17 juni 2023 te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Rohm, type RG 96, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool;
- munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten meerdere knalpatronen, 9x mm kaliber;
- munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie, te weten meerdere pyrotechnische munitie, 15 mm kaliber,
voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
1.
subsidiairmedeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, C en D van de Opiumwet gegeven verbod;
en
2. medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voor voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;
5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering. Bij het bepalen van de duur van de te vorderen straf heeft de officier van justitie rekening gehouden met de eendaadse samenloop tussen feiten 1 en 2 en de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak. Voorts vordert de officier van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan verdachte een kwart van de opruimkosten van het drugslaboratorium dient te worden toegerekend, hetgeen neerkomt op een bedrag van 7.357,26. De officier van justitie vordert oplegging van de maatregel kostenverhaal tot dit bedrag en vaststelling van de betalingsverplichting met de mogelijkheid verdachte te gijzelen voor de duur van maximaal 147 dagen wanneer betaling uitblijft.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsvrouw heeft bepleit aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit aan verdachte een taakstraf op te leggen. De oplegging van de maatregel kostenverhaal die door de officier van justitie is gevorderd acht de raadsvrouw niet passend. Hiertoe voert zij aan dat verdachte geen vol opzet had op de gerelateerde feiten, verdachte geen medepleger is en verdachte de door Enexis in rekening gebrachte kosten al volledig heeft vergoed. Zij verzoekt de rechtbank deze vordering af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsadviezen van 17 oktober 2023 en 4 juli 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 juni 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van eendaadse samenloop met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de strafbare feiten
Verdachte heeft op zijn woonadres een hennepkwekerij aangelegd en hier hennep geteeld. Daarnaast heeft verdachte aan derden een schuur verhuurd waarin zij een drugslaboratorium hebben ingericht en hebben gebruikt voor de productie van harddrugs. Op die manier heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de handel in soft- en harddrugs. Deze handel heeft op verschillende wijzen een sterke negatieve impact op de samenleving. Zo speelt drugs een belangrijke rol bij verslavingsproblematiek, wordt het afval wat voortkomt uit de productie vaak illegaal gedumpt met milieuschade tot gevolg en voedt de handel in drugs het criminele circuit wat de veiligheid van de samenleving als geheel aantast. Maar ook op kleinere schaal bracht de handelswijze van verdachte grote risicos met zich mee. Zo woonden er in de bewezenverklaarde perioden drie kinderen van verdachte bij hem, die hij heeft blootgesteld aan onder meer brand- en explosiegevaar door een hennepkwekerij en drugslaboratorium aan te leggen dan wel te faciliteren.
Voorts heeft verdachte samen met anderen elektriciteit van Enexis gestolen en hierbij de door Enexis aangebrachte verzegeling verbroken. Enexis is als netbeheerder afhankelijk van de elektriciteitsmeter om te bepalen hoeveel er bij contractanten in rekening moet worden gebracht. Door deze elektriciteitsmeter te manipuleren heeft verdachte Enexis financieel benadeeld en tevens misbruik gemaakt van de manier waarop Enexis het elektriciteitsgebruik van contractanten meet.
Tot slot bezat verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III uit de Wet wapens en munitie. De wetgever heeft beoogd streng te reguleren wie dergelijke voorwerpen voorhanden mag hebben. Door in strijd met deze regels toch dergelijke wapens voorhanden te hebben heeft verdachte zichzelf en zijn omgeving, waaronder zijn inwonende kinderen, in gevaar gebracht. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
Persoon van verdachte
Op 17 oktober 2023 is een reclasseringsrapportage opgesteld die blijkens het voortgangsverslag van 4 juli 2025, behoudens aanvullingen, nog actueel is. Uit de reclasseringsrapportage en het voortgangsverslag volgt dat de financiële situatie van verdachte in direct verband kan worden gebracht met het delict.
Verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde enkel inkomen uit zijn PGB en het inkomen van zijn toenmalige partner. Inmiddels is verdachte gescheiden van deze partner en wordt vanuit zijn begeleiding gewerkt aan het aanvragen van een uitkering. Voorts beschouwt de reclassering de onzekere huisvestingssituatie, het voorheen deels criminele sociaal netwerk en de relatie met zijn gezin en familie als indirect gerelateerde factoren. De reclassering ziet voorts geen positieve of beschermende factoren in het leven van verdachte. Omdat de contacten met het criminele netwerk inmiddels zijn verbroken schat de reclassering het risico op recidive echter laag in.
De reclassering heeft in de rapportage van 2023 als bijzondere voorwaarde een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden geadviseerd. Deze gedragsinterventie is als schorsingsvoorwaarde opgelegd. Verdachte heeft deze interventie in augustus 2024 met succes afgerond. De reclassering adviseert thans een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij adviseert de reclassering aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht en de inmiddels afgeronde gedragsinterventie. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard veel te hebben gehad aan het contact met de reclassering. Daarbij uitte hij de wens ook na de terechtzitting contact met de reclassering te kunnen houden.
Tijdsverloop
Gelet op het tijdsverloop dient de rechtbank bij de strafoplegging voorts rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 EVRM tot een berechting moet komen. Vanaf het moment dat verdachte is gehoord en er gelet op de inhoud van het verhoor van uit mocht gaan dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd, tot aan deze uitspraak van de rechtbank zijn meer dan twee jaren verstreken. Naar vaste rechtspraak moet overschrijding van de redelijke termijn in beginsel tot strafvermindering leiden. De rechtbank zal daarom bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met dit tijdsverloop.
De straf
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich zal melden bij de reclassering.
Voorts legt de rechtbank verdachte een taakstraf op voor de maximale duur van 240 uren. Wanneer verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen worden toegepast.
De rechtbank wil met oplegging van deze straffen de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen en met het voorwaardelijk deel en de daaraan gekoppelde voorwaarden voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten zal plegen. De rechtbank acht het echter niet opportuun verdachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf te geven en beslist daarom aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de maximale duur.

Maatregel kostenverhaal

De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In het drugslab in Nieuw-Amsterdam waren namelijk stoffen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en daarnaast heeft de Staat kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.
Bij de stukken bevindt zich een factuur van [naam] met een kostenoverzicht van het ontmantelen van het drugslab, inclusief de afvoer van chemicaliën en restafval en het vernietigen van hardware. In totaal gaat het om een bedrag van 29.429,05. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van [naam] door de Staat is betaald.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank conform de vordering van de officier van justitie aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen. De rechtbank legt aan verdachte de verplichting op om een vierde deel van de totale kosten, te weten 7.357,26, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 70 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
De maatregel die strekt tot vergoeding van een deel van de opruimkosten die de politie heeft gemaakt dient om de maatschappij te compenseren ten aanzien van de kosten die zijn gemaakt om de omgeving van de hennepplantage en het drugslab weer veilig te maken. Vanwege de beperkte financiële draagkracht van verdachte heeft de rechtbank de maximale duur van de gijzeling beperkt tot 70 dagen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 48, 49, 55, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11, en 13d van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 193 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
1. dat de veroordeelde zich na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering, [adres] , en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Legt op als maatregel de verplichting tot vergoeding van het bedrag van 7.357,26 aan de Staat. Stelt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd vast op 70 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Mesken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2025.
Mr. H.M. Lenting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.