De rechtbank Noord-Nederland behandelde beroepen van eiser tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2000 tot en met 2008.
De inspecteur had de bezwaren tegen deze aanslagen niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en had beschikkingen ambtshalve vermindering afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de bezwaartermijn ruim was verstreken en eiser geen omstandigheden had gesteld die verzuim konden rechtvaardigen.
Daarnaast vernietigde de rechtbank de beschikkingen ambtshalve vermindering omdat de wettelijke grondslag (artikel 9.6 Wet IB) pas vanaf 2010 geldt en dus niet van toepassing is op aanslagen van vóór 2010. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze beschikkingen gegrond, maar wees proceskostenvergoeding af omdat eiser geen kosten had gespecificeerd.
De uitspraak vervangt de bestreden uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2024. Eiser was niet aanwezig bij de zitting ondanks tijdige uitnodigingen. De rechtbank bevestigde dat eiser geen griffierecht hoefde te betalen vanwege een voorlopige vrijstelling.