ECLI:NL:RBNNE:2025:2449

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
11455057 \ VV EXPL 24-144
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming wegens ernstige en structurele overlast door huurder

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 22 mei 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting De Huismeesters en Gemeente Groningen, vertegenwoordigd door de Groningse Kredietbank (GKB), die als bewindvoerder optreedt voor een onder bewind gestelde huurder. De Huismeesters vorderde ontruiming van de woning van de onder bewind gestelde, die sinds 1 januari 2000 huurde van De Huismeesters. De vordering was gebaseerd op ernstige en structurele overlast die door de huurder en haar bezoekers werd veroorzaakt, waaronder geluidsoverlast, agressief gedrag en drugsgerelateerde activiteiten. De rechtbank oordeelde dat de huurder zich niet als een goed huurder gedroeg en dat de belangen van de omwonenden zwaarder wogen dan het belang van de huurder bij het behoud van de woning. De kantonrechter heeft de ontruiming toegewezen, met een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. Tevens is GKB veroordeeld in de proceskosten van De Huismeesters, die in totaal € 953,45 bedragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11455057 \ VV EXPL 24-144
Vonnis in kort geding van 22 mei 2025
in de zaak van
STICHTING DE HUISMEESTERS,
gevestigd te Groningen,
eisende partij,
hierna te noemen: De Huismeesters,
gemachtigde: mr. N.G. Thoma,
tegen
GEMEENTE GRONINGEN,h.o.d.n.
DE GRONINGSE KREDIETBANK,
gevestigd te Groningen,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen en gelden van [onder bewind gestelde] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [onder bewind gestelde] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: GKB.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding (met producties);
- de conclusie van antwoord;
- de producties van 15 tot en met 17 van De Huismeesters;
- de mondelinge behandeling van 30 januari 2025, waar namens De Huismeesters is verschenen [woonplaats] (medewerker wonen), bijgestaan door mr. N.G. Thoma. Daarnaast is verschenen [onder bewind gestelde] , bijgestaan door mr. M. Goosen. Mr. N.G. Thoma heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken;
- de aanhouding van de procedure;
- de producties 18 en met 20 van De Huismeesters;
- de voortgezette mondelinge behandeling van 8 mei 2025, waar namens De Huismeesters is verschenen [woonplaats] (medewerker wonen), bijgestaan door mr. N.G. Thoma. Daarnaast is verschenen [onder bewind gestelde] , bijgestaan door mr. M. Goosen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
1.2.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[onder bewind gestelde] huurt sinds 1 januari 2000 van De Huismeesters.
2.2.
De goederen en gelden van [onder bewind gestelde] zijn bij beschikking van 5 oktober 2020 onder bewind gesteld, met benoeming van GKB als bewindvoerder.
2.3.
Met ingang van 4 januari 2024 huurt [onder bewind gestelde] van De Huismeesters de woning gelegen aan de [adres huurwoning] (hierna: het gehuurde).
2.4.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van De Huismeesters van toepassing. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:
“Artikel 8 de algemene verplichtingen van Huurder
(…)
12. Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door Huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege Huurder in het Gehuurde of in de Gemeenschappelijke ruimten bevinden. Fysiek of verbaal geweld, agressiviteit, dan wel ander wangedrag jegens omwonenden, Medehuurders, Verhuurder of haar medewerkers dan wel door Verhuurder aangewezen personen of ingeschakelde derden leidt tot passende (juridische) maatregelen jegens Huurder, die kunnen leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst.”
2.5.
Vanaf 19 februari 2024 heeft De Huismeesters overlastmeldingen ontvangen over [onder bewind gestelde] en haar bezoek. Omwonenden klagen onder meer over personen die in de nacht (via het raam) het gehuurde betreden en verlaten, een blaffende en agressieve hond, geschreeuw, geruzie, agressief gedrag jegens omwonenden en onaangepast (woon)gedrag als gevolg van drugs- en/of drankgebruik. De overlast vindt volgens omwonenden voornamelijk in de avonden en nachten plaats. Ook geven omwonenden aan dat er veel hondenpoep en vuilnis in de tuin van het gehuurde ligt.
2.6.
In een brief van 18 maart 2024 heeft De Huismeesters [onder bewind gestelde] aangeschreven om de (overlast)situatie te stoppen. Ook heeft De Huismeesters [onder bewind gestelde] verzocht om een afspraak met haar in te plannen, aangezien [onder bewind gestelde] een eerder geplande afspraak had afgezegd.
2.7.
Ook hierna bleef De Huismeesters soortgelijke klachten van omwonden over [onder bewind gestelde] ontvangen. De omwonenden hebben ook melding van de overlast gemaakt bij het meldpunt van de gemeente Groningen en de politie.
2.8.
In een e-mail van 12 april 2024 heeft de politie, voor zover van belang, het volgende aan De Huismeesters medegedeeld:
“In de woning zag ik veel troep op de grond, tafel en keuken. Ik zag verschillende lange vloeitjes en her en der wat wiet liggen. Achter de voordeur, in de meterkast stonden twee golfclubs. Ze had geen verklaring voor de aanwezigheid ervan. (…) Over het incident van vanmorgen verklaarde ze dat er inderdaad een man via het raam bij haar naar binnen was geklommen. Ze zei dat ze zelf ook thuis was, maar boven lag te slapen. Ze wilde ons niet vertellen wie deze man was, alleen: "een kennis". Ze zei dat ze het er met hem over ging hebben. (…) Ze zou willen praten met mensen over haar situatie. Met welke mensen, wilde ze niet vertellen. We hebben [onder bewind gestelde] medegedeeld dat we de wijkagent hiervan op de hoogte stellen. (…)”
2.9.
Naar aanleiding van aanhoudende overlastmeldingen heeft De Huismeesters [onder bewind gestelde] in een brief van 15 april 2024 opnieuw aangesproken op haar (woon)gedrag en gewezen op het feit dat zij (opnieuw) niet op de geplande afspraak met De Huismeesters is verschenen.
2.10.
Uiteindelijk is het De Huismeesters gelukt om een gesprek in te plannen met [onder bewind gestelde] . [onder bewind gestelde] gaf in dit gesprek aan dat zij hulp nodig heeft, waarna De Huismeesters haar in een brief van 6 juni 2024 heeft uitgenodigd voor een gesprek met De Huismeesters, WIJ-Groningen, Verslavingszorg Noord Nederland en de wijkagent. [onder bewind gestelde] is echter ook niet op deze afspraak verschenen.
2.11.
In een brief van 10 juli 2024 heeft De Huismeesters aan [onder bewind gestelde] laten weten dat zij een juridische procedure zal starten waarin zij ontbinding en ontruiming zal vorderen als [onder bewind gestelde] niet instemt met het ondertekenen van een woonkansovereenkomst. [onder bewind gestelde] heeft hierop niet gereageerd.
2.12.
De gemachtigde van De Huismeesters heeft [onder bewind gestelde] in een brief van 10 december 2024 kenbaar gemaakt dat zij vanwege de aanhoudende overlastklachten voornemens is een kort geding te starten.
2.13.
De Huismeesters is vervolgens deze procedure gestart.
2.14.
Tijdens de mondelinge behandeling van 30 januari 2025 is de procedure aangehouden, om te onderzoeken of De Huismeesters [onder bewind gestelde] elders kan huisvesten.
2.15.
De Huismeesters en [onder bewind gestelde] hebben vervolgens gesproken over alternatieve woonruimte en een woonkansovereenkomst. Partijen zijn echter niet tot een vergelijk gekomen, waarna om voortzetting van de procedure is gevraagd.
2.16.
De Huismeesters is in de tussentijd overlastmeldingen over [onder bewind gestelde] blijven ontvangen. Omwonenden klagen (opnieuw) over de aanloop die [onder bewind gestelde] zowel overdag als ’s nachts heeft, drugsgerelateerde activiteiten in en rondom het gehuurde, geluidsoverlast en stankoverlast.

3.Het geschil

3.1.
De Huismeesters vordert, samengevat, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] te veroordelen om het gehuurde aan het adres [adres huurwoning] binnen tien dagen na de dag van betekening van het vonnis te ontruimen, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het bepaalde in artikel 555 e.v. jo. artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
subsidiair
II. vordering I toe te wijzen, echter met dien verstande dat De Huismeesters daar geen rechten aan kan ontlenen indien en zo lang gedurende twee jaren, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, zijdens GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] wordt voldaan aan de volgende voorwaarde:
Voorwaarde
Er wordt geen inbreuk gemaakt op de huurdersverplichtingen inzake de Huurovereenkomst, inclusief de Algemene Huurvoorwaarden, betreffende het gehuurde het adres [adres huurwoning] , waaronder onder meer doch niet uitsluitend wordt begrepen dat gedaagde:
a. zich dient te onthouden van het doen en/of laten veroorzaken van overlast – in de meest brede zin van het woord – in en/of rond het gehuurde, waarbij onder overlast in ieder geval wordt begrepen: bonkende geluiden, het verschuiven van meubelen met geluid als gevolg, een blaffende hond, geschreeuw en geruzie tussen 22:00 uur en 08:00 uur;
b. zich dient te onthouden van het doen en/of laten veroorzaken van overlast vanwege onaangepast (woon)gedrag als gevolg van drugs- en/of drankgebruik;
c. zich dient te onthouden van het bedreigen en/of intimideren van omwonenden en/of zijdens De Huismeesters en/of door haar ingeschakelde derden;
d. zich dient te onthouden van het niet toestaan – waarbij onder 'niet toestaan' ook '(feitelijk) belemmeren' wordt begrepen – van het zijdens De Huismeesters en/of door haar ingeschakelde derden doen of laten uitvoeren van dringende werkzaamheden aan het gehuurde;
e. de hulpverlening van het WIJ-Team onvoorwaardelijk dient te accepteren onder andere met betrekking tot begeleiding en hulpverlening ten aanzien van de overlast en de met deze instelling te maken afspraken zal nakomen;
f. alle aanwijzingen van het WIJ-Team of enig ander bij gedaagde betrokken hulpverlener ten aanzien van een meer specifieke vorm van hulpverlening in het kader van de overlast dient op te volgen;
g. toegang tot het gehuurde verleent aan de betrokken hulpverlenende instanties in het kader van de begeleiding en hulpverlening;
h. voldoet aan nadere en/of andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen voorwaarden.
meer subsidiair
III. GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] te veroordelen tot nakoming van de huurdersverplichtingen inzake de Huurovereenkomst, inclusief de Algemene Huurvoorwaarden, betreffende het gehuurde aan het adres [adres huurwoning] , en haar in dat kader bij wijze van ordemaatregel als gedragsaanwijzing op te leggen dat, na betekening van het vonnis, zijdens haar wordt voldaan aan de voorwaarde zoals vermeld onder vordering II, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,00, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat zij niet voldoet aan het gevorderde, met een maximum van € 10.000,00;
in alle gevallen
IV. GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] te veroordelen in de proceskosten (inclusief de nakosten), één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening.
3.2.
GKB voert verweer. GKB concludeert tot niet-ontvankelijkheid van De Huismeesters, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van De Huismeesters, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Huismeesters in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
De aard van de vordering (overlast) brengt mee dat De Huismeesters daarbij een spoedeisend belang heeft.
Maatstaf in kort geding
4.2.
Een vordering tot ontruiming in kort geding is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht, aangezien in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en een ontruiming in kort geding vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen heeft. Daarom is een vordering tot ontruiming in kort geding alleen toewijsbaar als met een grote mate van waarschijnlijkheid is te voorzien dat zo’n vordering ook in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
De gevorderde ontruiming
4.3.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat een gevorderde ontruiming van een huurwoning in een bodemprocedure zal worden toegewezen in het geval dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Op grond van artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt als uitgangspunt dat iedere tekortkoming in de nakoming grond kan opleveren voor ontbinding van een huurovereenkomst. Op de huurder rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de uitzondering op het uitgangspunt dat de tekortkoming, gezien de bijzondere aard of geringe betekenis daarvan, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn, hetgeen meebrengt dat niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, kan worden toegekend. Het is aan de kantonrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. [1]
4.4.
Artikel 7:213 BW bepaalt dat een huurder verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Dit betekent onder andere dat een huurder ervoor moet zorgen dat hij of zij geen overlast veroorzaakt. In artikel 8 lid 12 van de algemene voorwaarden is eveneens een uitdrukkelijk verbod op het veroorzaken van overlast opgenomen. Als de huurder zich niet aan deze verplichting houdt, levert dat een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst op.
4.5.
De Huismeesters heeft aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd dat [onder bewind gestelde] structureel ernstige overlast veroorzaakt en het gehuurde beschadigt en vervuilt. Ook stelt De Huismeesters dat [onder bewind gestelde] de uitvoering van dringende werkzaamheden aan het gehuurde niet toestaat (het vervangen van het slot in de deur). Volgens De Huismeesters handelt [onder bewind gestelde] daarmee in strijd met het goed huurderschap, de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. Ondanks dat De Huismeesters [onder bewind gestelde] er meermaals op heeft gewezen dat zij haar gedrag moet aanpassen, duurt de overlast tot op de dag van vandaag voort. De omwonenden hebben volgens De Huismeesters zwaar onder de overlast te lijden. De Huismeesters ziet daarom geen andere optie dan dat [onder bewind gestelde] het gehuurde op korte termijn moet verlaten.
4.6.
[onder bewind gestelde] betwist kort gezegd dat zij voor ernstige en structurele overlast zorgt en het gehuurde vervuilt. [onder bewind gestelde] voert daartoe aan dat De Huismeesters de gestelde overlast slechts heeft onderbouwd met subjectieve en anonieme meldingen. Volgens [onder bewind gestelde] is dit onvoldoende, nu de overlast naar objectieve maatstaven moet zijn vast te stellen. [onder bewind gestelde] kan zich daarnaast (grotendeels) niet vinden in de overgelegde meldingen en is van mening dat een groot aantal meldingen onterecht zijn gedaan, althans niet naar haar herleid kunnen worden. Voor het geval dat de kantonrechter meent dat [onder bewind gestelde] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst, doet [onder bewind gestelde] een beroep op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW. [onder bewind gestelde] stelt in dit kader dat zij in het geval van een ontruiming op straat zal komen te staan en dat zij in dat geval, mede gelet op haar bewogen verleden, vreest dat zij een terugval zal krijgen en in aanraking zal komen met justitie. Daarnaast stelt [onder bewind gestelde] dat het behoud van het gehuurde voor haar van groot belang is, zodat zij haar vier kinderen (waarvan twee minderjarig) daar kan ontvangen. [onder bewind gestelde] voert eveneens verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring en verzoekt in het geval van toewijzing van de vordering om een langere ontruimingstermijn.
[onder bewind gestelde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst
4.7.
De kantonrechter stelt voorop dat tijdens de eerste zitting een rol speelde dat [onder bewind gestelde] geen sleutel meer had van de voordeur en de woning op een andere manier moest betreden. Dit is op dit moment echter geen onderdeel van discussie meer. Ook stelt de kantonrechter vast dat De Huismeesters niet heeft onderbouwd op welke wijze [onder bewind gestelde] het gehuurde beschadigt, zodat de kantonrechter deze stelling niet mee zal nemen in haar beoordeling.
4.8.
Ten aanzien van de gestelde overlast (waar de kantonrechter ook de gestelde vervuiling onder schaart) geldt het volgende. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het op grond van de door De Huismeesters overgelegde meldingen voorshands voldoende aannemelijk dat [onder bewind gestelde] en haar bezoekers voor structurele en ernstige overlast zorgen. Uit de klachten van omwonenden blijkt dat er over een geruime periode, sinds 19 februari 2024, veelvuldig en structureel meldingen zijn binnengekomen over het gedrag van [onder bewind gestelde] en haar bezoekers. Omwonenden klagen onder meer over personen die in de nacht (via het raam) het gehuurde betreden en verlaten, een blaffende en agressieve hond (die inmiddels elders is ondergebracht door [onder bewind gestelde] ), geschreeuw, geruzie, agressief gedrag jegens omwonenden en onaangepast (woon)gedrag als gevolg van drugs- en/of drankgebruik. De overlast vindt volgens omwonenden voornamelijk in de avonden en nachten plaats. Ook geven omwonenden aan dat sprake is van stankoverlast (een wietlucht) en dat er veel vuilnis rondom het gehuurde ligt. Omwonenden spreken bovendien vermoedens uit dat vanuit het gehuurde in drugs wordt gehandeld. De kantonrechter ziet voorshands geen aanleiding om aan de juistheid van de kern van de door de omwonenden geuite klachten te twijfelen. De gemachtigde van De Huismeesters heeft onbetwist gesteld dat de verklaringen afkomstig zijn van verschillende omwonenden. Bovendien zijn de meldingen voldoende onderbouwd, geconcretiseerd en wordt over dezelfde problematiek geklaagd. Uit de stukken blijkt dat omwonenden ook meermaals bij de politie en het meldpunt van de gemeente melding hebben gemaakt van de overlast die [onder bewind gestelde] veroorzaakt. Weliswaar is er geen politiedossier overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van overlast of is door De Huismeesters geen buurtonderzoek ingesteld, maar ook zonder dergelijke gegevens bestaat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op grond van de overgelegde meldingen geen aanleiding om eraan te twijfelen dat sprake is van ernstige en structurele overlast vanuit het gehuurde. De kantonrechter gaat gelet op de veelheid en details van de meldingen voorbij aan het bezwaar van [onder bewind gestelde] dat er meer objectieve onderbouwing van de overlastmeldingen had moeten zijn. Dit geldt temeer nu [onder bewind gestelde] op de zitting heeft erkend dat zij te maken heeft met personen uit het criminele milieu en dat sprake is van drugsgerelateerde problematiek.
4.9.
Voor zover [onder bewind gestelde] de gestelde overlast als zodanig heeft ontkend, had het op haar weg gelegen om deze ontkenning nader te onderbouwen. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [onder bewind gestelde] dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan. Hoewel [onder bewind gestelde] in haar conclusie van antwoord de inhoud de klachten van de omwonenden één voor één bij langs is gegaan, is zij niet verder gekomen dan het in algemene termen en zonder nadere onderbouwing betwisten dat de overlast heeft plaatsgevonden, dat zij zich niet in de klachten herkent en dat zij zich niet kan voorstellen dat de overlast uit het gehuurde afkomstig is. Dit is, gelet op de gemotiveerde onderbouwing van De Huismeesters, onvoldoende.
4.10.
Tijdens de (tweede) zitting heeft [onder bewind gestelde] nog aangevoerd dat De Huismeesters zich onvoldoende heeft ingespannen om vervangende woonruimte voor haar te vinden, zoals partijen hebben besproken in het kader van een minnelijke regeling. Los van het feit dat De Huismeesters dit heeft betwist, laat dit onverlet dat op [onder bewind gestelde] de verplichting rust om geen overlast te veroorzaken. Op basis van het voorgaande kan vooralsnog genoegzaam worden geconcludeerd dat [onder bewind gestelde] hierin niet is geslaagd.
4.11.
Verder staat vast dat [onder bewind gestelde] veelvuldig door De Huismeesters is aangesproken op de veroorzaakte overlast. Daarnaast zijn er verschillende pogingen gedaan om met [onder bewind gestelde] en de betrokken hulpinstanties in gesprek te gaan en de overlast te stoppen. De Huismeesters heeft [onder bewind gestelde] eveneens een woonkansovereenkomst aangeboden. De kantonrechter heeft tijdens de eerste zitting ook richting [onder bewind gestelde] aangegeven dat [onder bewind gestelde] haar (woon)gedrag moet veranderen. Desalniettemin is de overlastsituatie blijven voortduren en zijn er nu ook andere omwonenden (naast de drie eerdere melders) die hebben geklaagd over overlast veroorzaakt door [onder bewind gestelde] en haar bezoekers, waarvoor [onder bewind gestelde] op grond van artikel 7:219 BW verantwoordelijk is. [onder bewind gestelde] is kennelijk niet bij machte om iets tegen die overlast te ondernemen. Ook lijkt zij de ernst van de situatie niet (voldoende) in te zien. Dat geeft geen vertrouwen in structurele verbetering van de situatie.
4.12.
De kantonrechter is gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [onder bewind gestelde] zich niet als een goed huurder gedraagt in de zin van artikel 7:213 BW en bovendien in strijd handelt met de algemene voorwaarden door ernstige en structurele overlast te veroorzaken. Daardoor is [onder bewind gestelde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
De belangenafweging valt in het voordeel van De Huismeesters en de omwonenden uit
4.13.
Afweging van het belang van [onder bewind gestelde] bij het behoud van het gehuurde en het belang van de omwonenden om gevrijwaard te blijven van overlast, waarvoor De Huismeesters verantwoordelijk is, leidt vooralsnog niet tot het oordeel dat het woonbelang van [onder bewind gestelde] zwaarder moet wegen. De ontruiming is, mede gelet op het milieu en de situatie waarin [onder bewind gestelde] zich bevindt, mogelijk ingrijpend voor haar, maar dit is het gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van [onder bewind gestelde] (de ernstige en structurele overlast). De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de overlast van [onder bewind gestelde] (en haar bezoekers) het woongenot van omwonenden in zeer ernstige mate verstoort. Bovendien is er, zoals hiervoor overwogen, voor wat betreft deze overlast geen concreet uitzicht op verbetering. Onder die omstandigheid dienen de belangen van De Huismeesters en de omwonenden naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter te prevaleren boven die van [onder bewind gestelde] . Van De Huismeesters kan daarom in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het belang van [onder bewind gestelde] om haar (minderjarige) kinderen in het gehuurde te ontvangen, legt voorshands onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. [onder bewind gestelde] heeft toegelicht dat de kinderen elders verblijven en dat zij hen (vooralsnog) alleen onder begeleiding ziet op een andere locatie. De kinderen van [onder bewind gestelde] komen zodoende door deze beslissing niet op straat te staan en niet gebleken is dat [onder bewind gestelde] haar kinderen niet meer zal zien als zij niet in het gehuurde woont.
Conclusie
4.14.
Al met al is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat vanwege de ernstige en structurele overlast in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop zal in dit kort geding de (onvoorwaardelijke) ontruiming van het gehuurde worden toegewezen. GKB is de formele procespartij en de veroordeling tot ontruiming zal daarom tegen haar worden uitgesproken. Opgemerkt wordt daarbij dat de ontruimingsverplichting rust op [onder bewind gestelde] , die de materiële procespartij is.
Ontruimingstermijn
4.15.
De Huismeesters heeft gevorderd dat de ontruiming binnen tien dagen na betekening van dit vonnis dient plaats te vinden. De kantonrechter acht dit echter geen redelijke en haalbare termijn. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op veertien dagen na betekening.
Proceskosten
4.16.
[onder bewind gestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Huismeesters worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
130,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
953,45
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.18.
In rechtsoverweging 4.13 zijn de belangen van De Huismeesters (en de omwonenden) en [onder bewind gestelde] tegen elkaar afgewogen. Diezelfde belangen spelen ook een rol bij de vraag of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard. De kantonrechter is van oordeel dat de eerdergenoemde belangen van De Huismeesters ook bij het beantwoorden van deze vraag zwaarder wegen dan de eerdergenoemde belangen van [onder bewind gestelde] . Het vonnis zal daarom, zoals De Huismeesters heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] om het gehuurde aan de [adres huurwoning] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, volledig te verlaten en te ontruimen met al degenen die zich in het gehuurde bevinden en met al hetgeen zich in het gehuurde bevindt, met achterlating van al hetgeen aan De Huismeesters toebehoort, en met afgifte van sleutels ter vrije beschikking van De Huismeesters te stellen, en vervolgens aldus verlaten en ontruimd te houden, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het bepaalde in artikel 555 e.v. jo. artikel 444 Rv;
5.2.
veroordeelt GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] in de proceskosten van € 953,45, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
59522

Voetnoten

1.HR 29 september 2018, ECLI:NL:HR: 2018:1810.