De Hervormde Gemeente Ried-Schingen heeft bezwaar gemaakt tegen de indeling van voormalige percelen in een ruilklasse op basis van bodemonderzoek uitgevoerd door Gedeputeerde Staten van Fryslân. De rechtbank verwijst naar eerdere beschikking en aanvullende stukken, waaronder laboratoriumanalyses van boringen door Poelsema en veldonderzoek door Van Berkum.
De rechtbank constateert dat de bepaling van het lutumgehalte door Gedeputeerde Staten niet is gebaseerd op laboratoriumonderzoek maar op visuele beoordeling, wat onvoldoende nauwkeurig is, vooral gezien de nabijheid van grenswaarden tussen bodemtypen. De Hervormde Gemeente heeft laboratoriumanalyses overgelegd, maar het is onduidelijk of deze betrekking hebben op de bouwvoor, hetgeen relevant is voor de ruilklasse-indeling.
Gezien de onzekerheid en de smalle marges tussen bevindingen en grenswaarden, beslist de rechtbank dat deze onzekerheid in het voordeel van de Hervormde Gemeente moet uitvallen. Hierdoor moeten de percelen worden ingedeeld in ruilklasse 6 in plaats van 4, en dient de Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR) te worden aangepast. De rechtbank veroordeelt Gedeputeerde Staten in de proceskosten en verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de ruilwaarde betreft.