De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 6 mei 2025 een zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen van geldbedragen afkomstig uit een oplichtingsmisdrijf. Verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. Het Openbaar Ministerie vorderde vrijspraak omdat niet kon worden bewezen dat de geldbedragen daadwerkelijk uit een misdrijf afkomstig waren in de zin van witwassen.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. Hoewel het aannemelijk was dat verdachte betrokken was bij het grondfeit oplichting en mogelijk financieel had geprofiteerd, kon niet worden vastgesteld of verdachte de geldbedragen geheel of gedeeltelijk had verworven of voorhanden had gehad. Daarnaast vond de rechtbank dat de overboekingen van de geldbedragen buiten de tenlastegelegde periode vielen.
De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat het feit dat schade was ontstaan niet bewezen was en deze vorderingen bij de burgerlijke rechter moesten worden ingediend. De rechtbank bepaalde dat de benadeelde partijen hun eigen proceskosten dragen.
Uiteindelijk sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde witwassen en verklaarde de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk.