ECLI:NL:RBNNE:2025:1011

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
19 maart 2025
Zaaknummer
18-036565-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

De officier van justitie vorderde op 13 december 2024 dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en veroordeelde verplicht tot betaling van €12.178,65 aan de staat. Tijdens de terechtzitting op 28 januari 2025 vroeg de officier van justitie echter afwijzing van de vordering vanwege de beperkte rol van veroordeelde en de reeds toegewezen schadevergoedingen aan benadeelde partijen.

De verdediging stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts €150 bedroeg, conform de verklaring van veroordeelde. De rechtbank oordeelde dat op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de ten laste gelegde feiten.

Gelet op artikel 36e Wetboek van Strafrecht wees de rechtbank de vordering tot ontneming af. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplichtigheid aan het gebruik van een geautomatiseerd werk om goederen of diensten zonder volledige levering te verkopen en voor gewoontewitwassen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk genoten wederrechtelijk voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/036565-24
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 25 februari 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende te de [adres]
,
thans gedetineerd in de [instelling] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 13 december 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 12.178,65 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/036565-24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 28 januari 2025.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 januari 2025 afwijzing van de vordering tot ontneming gevorderd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op de beperkte rol van verdachte bij het ten laste gelegde, aannemelijk is geworden dat verdachte slechts in zeer beperkte mate voordeel heeft genoten. Gelet op de toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen is toewijzing van de vordering tot ontneming niet langer passend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte dat hij 150,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 februari 2025 in de zaak met parketnummer 18/036565-24 veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, en ter zake van het gewoontewitwassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 februari 2025.
mr. L.W. Janssen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.