De rechtbank Noord-Nederland heeft op 14 maart 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte samen met een ander werd verdacht van diefstal door onbevoegd gebruik van de pinpas van een bejaarde man. De feiten speelden zich af tussen 10 september en 7 oktober 2020 in meerdere gemeenten. Verdachte en zijn medeverdachte hebben gezamenlijk en bewust betalingen gedaan met de pinpas van het slachtoffer, die hen in vertrouwen was meegegeven.
De rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van de medeverdachte, het slachtoffer en verdachte zelf, alsmede proces-verbalen van aangifte en verhoor. De verdediging voerde aan dat verdachte niet van het gehele tijdsverloop op de hoogte was, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Er was sprake van nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering.
Gezien de jeugdige leeftijd van verdachte (19 jaar ten tijde van het delict) en het advies van de reclassering, paste de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur werk met een proeftijd van één jaar. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en overlijden van het slachtoffer. De inbeslaggenomen goederen werden verbeurd verklaard omdat deze door het strafbare feit waren verkregen.