ECLI:NL:RBNNE:2024:861
Rechtbank Noord-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens onvoldoende spoedeisendheid bij beslaglegging in Wsnp-procedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro gevraagd om het executoriaal beslag op zijn bankrekening op te schorten zolang de rechtbank nog niet heeft beslist op zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp).
De rechtbank overweegt dat een dergelijke voorlopige voorziening alleen kan worden verleend indien sprake is van spoedeisendheid en een acute noodsituatie. Verzoeker heeft gesteld dat door het beslag niet kan worden gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers en dat de kosten van het beschermingsbewind niet betaald kunnen worden. Echter heeft hij dit onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld door het ontbreken van een vtlb-berekening of budgetplan.
Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat ondanks het beslag een positief saldo aanwezig is en niet dat vaste lasten niet voldaan kunnen worden. De beslagvrije voet en het inkomen van de partner zijn ontoereikend voor alle kosten, maar dit leidt niet tot een acute noodsituatie die onmiddellijke opschorting rechtvaardigt.
De rechtbank concludeert dat de noodzaak voor een voorlopige voorziening niet is aangetoond en wijst het verzoek af. De beslissing over het verzoek tot toelating tot de Wsnp zal in een afzonderlijk vonnis volgen.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van het executoriaal beslag wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisendheid.