De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 13 maart 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit van meerdere vuurwapens en munitie op of omstreeks 12 november 2019 in de gemeente Weststellingwerf.
De tenlastelegging betrof onder meer een revolver, een pistool, onderdelen van vuurwapens en diverse soorten munitie. De officier van justitie vorderde vrijspraak omdat niet kon worden bewezen dat verdachte de feitelijke beschikking over deze wapens en munitie had, mede omdat verdachte op dat moment in het ziekenhuis verbleef en de sleutel van haar woning aan haar ex-vriend had gegeven.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet in de woning verbleef en geen sleutel bezat, zodat zij geen wetenschap had van de wapens en munitie. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het bezit aan verdachte toe te rekenen en sprak haar vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij drie rechters het vonnis ondertekenden. De vrijspraak volgt de lijn van het openbaar ministerie en de verdediging, waarbij het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs doorslaggevend was.