Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Procesverloop
- Het verzoekschrift van de vrouw, door de rechtbank ontvangen op 22 december 2023;
- het F2-formulier d.d. 8 januari 2024 waarbij mr. Borsch zich namens de man als advocaat heeft gesteld en een uitstelverzoek heeft gedaan;
- het e-mailbericht van 9 januari 2024 van mr. Boymans;
- het e-mailbericht van 9 januari 2024 van mr. Borsch.
- het verweerschrift tevens inhoudende zelfstandig verzoek van de man, door de rechtbank ontvangen op 2 februari 2024;
- het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, door de rechtbank ontvangen op 7 februari 2024;
- het F9-formulier met een productie namens de man, door de rechtbank ontvangen op 12 februari 2024.
2.De feiten
[minderjarige] ,geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] .
3.De verzoeken
4.Het advies van de Raad
5.De beoordeling
Daarnaast stelt de vrouw dat de man de afgelopen periode geen uitvoering (meer) geeft aan de zorgregeling voor [minderjarige] zoals die in de beschikking van 14 juli 2022 is vastgesteld. De man besteedt [minderjarige] in de tijd dat hij bij hem verblijft dusdanig vaak uit aan de vrouw, zijn ouders en anderen, dat er in werkelijkheid door de man uitvoering wordt gegeven aan een (ruime) weekendregeling met [minderjarige] in plaats van het afgesproken co-ouderschap. Hierin ligt volgens de vrouw ook een wijziging in de omstandigheden.
“Het is het hof duidelijk dat het leven van de moeder inmiddels volledig gericht is op [plaats 1] . Ook na de beschikking van de rechtbank heeft de moeder nog stappen gezet die haar voor de toekomst verder zullen binden aan [plaats 1] , zoals het aannemen van een nieuwe baan. De moeder had er in het belang van [minderjarige] goed aan gedaan om een pas op de plaats te maken en de beslissing van het hof af te wachten. De gevolgen van de, naar het oordeel van het hof, overhaaste en niet goed voorbereide stappen de moeder heeft gezet, zullen dan ook voor haar eigen rekening en risico komen. In dit verband wijst het hof er ten overvloede op dat de raad ter zitting heeft verklaard dat een eventuele verhuizing van de moeder naar [plaats 1] kan betekenen dat er in de toekomst een heroverweging moet komen van de thans geldende zorgregeling in die zin dat het zwaartepunt van de zorg en opvoeding bij de vader komt te liggen. ”
6.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden.