Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[klager] ,
- [naam 1] (PHO);
- de raadsvrouw van [naam 1] , mr. J.M. Janson;
- klager;
- de raadslieden van klager, mr. T. van der Goot en mr. R.G. Knegt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
Een voormalig verpleegkundige werd verdacht van het voortijdig beëindigen van het leven van ongeveer twintig COVID-patiënten. De officier van justitie vorderde op grond van artikel 126nf Sv het intakeverslag en gespreksverslagen van gesprekken tussen de verdachte en een praktijkondersteuner huisarts (POH), die deze vordering weigerde vanwege haar beroepsgeheim en verschoningsrecht.
De rechtbank beoordeelde of er sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het doorbreken van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Hoewel er een verdenking van ernstige strafbare feiten was, stelde de rechtbank vast dat de gevorderde gegevens niet cruciaal waren voor het onderzoek, omdat de verdachte zijn verhaal al aan GGZ-medewerkers had gedaan die hun geheimhoudingsplicht hadden doorbroken.
De rechtbank concludeerde dat de gevorderde gegevens geen nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zwaarder weegt dan het belang van het verschoningsrecht en de privacy van de verdachte. Daarom werd het beklag gegrond verklaard en werd gelast tot teruggave van de verzegelde gegevens. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.
Uitkomst: Het beklag van de praktijkondersteuner tegen het verstrekken van gevoelige gegevens is gegrond verklaard en de gegevens worden teruggegeven.