ECLI:NL:RBNNE:2024:5341

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
C/17/196366/HA RK 24-50
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 RvArt. 4.5 lid 1 Aanvullingswet grondeigendom OmgevingswetArt. 426-429 RvWet inrichting landelijke gebiedOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bezwaar tegen lijst der geldelijke regelingen bij herverkaveling Franekeradeel-Harlingen

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 6 december 2024 het bezwaar van verzoekers tegen de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen (LGR) door Gedeputeerde Staten van Fryslân in het kader van de herverkaveling Franekeradeel-Harlingen. Verzoekers stelden bezwaar tegen het graven van een sloot op de nieuwe eigendomsgrens en vorderden een schadevergoeding.

Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat verzoekers hun schadeclaims onvoldoende hadden geconcretiseerd en onderbouwd. De vermeende schade betrof onder meer het verlies van huurinkomsten en een vermeend fiscaal nadeel, maar concrete bedragen of bewijs daarvoor werden niet geleverd. De rechtbank overwoog dat het verzoekschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 278 lid 1 Rv Pro en dat het bezwaar te vaag was.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar ongegrond is en dat de gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt. Tevens werd geoordeeld dat een mogelijke belastingclaim niet onder de LGR valt. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd uitgesproken door rechter R. Giltay.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de vastgestelde lijst der geldelijke regelingen wordt ongegrond verklaard en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht
Landinrichtingen, zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/196366/HA RK 24/50
Beschikking van de enkelvoudige landinrichtingskamer van 6 december 2024
inzake
[A]en
[B],
te [woonplaats]
en
[C]en
[D],
te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. S. Maakal,
verzoekers inzake de Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR), opgemaakt door de Bestuurscommissie in de herverkaveling
"Franekeradeel-Harlingen"en vastgesteld door:
Gedeputeerde Staten van Fryslân,
te Leeuwarden,
verweerster,
gemachtigde: ing. mr. J. Heinen.
Verzoekers zullen in het hierna volgende - enkelvoudig - [A] c.s. worden genoemd.
Verweerster zal - enkelvoudig - als Gedeputeerde Staten worden aangeduid.

1.Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de ontwerp-LGR die ter inzage heeft gelegen van 2 november tot en met 13 december 2023,
- de hiertegen door [A] c.s. ingediende zienswijze,
- het besluit van 18 juni 2024 van Gedeputeerde Staten van Fryslân tot vaststelling van de LGR, dat ter inzage heeft gelegen van 11 juli tot en met 21 augustus 2024,
- het verzoekschrift namens [A] c.s. van 19 augustus 2024, bij de rechtbank ingekomen op 20 augustus 2024,
- het verweerschrift namens Gedeputeerde Staten en de Bestuurscommissie,
- de mondelinge behandeling van 8 november 2024 ten overstaan van de enkelvoudige landinrichtingskamer van de rechtbank.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling van 8 november 2024 is [D] verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Verder zijn verschenen vertegenwoordigers namens Gedeputeerde Staten, de Bestuurscommissie en het Kadaster. Ing. mr. J. Heinen, heeft namens Gedeputeerde Staten en de Bestuurscommissie het woord gevoerd. Van het behandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Tot de processtukken, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd, behoren, voor zover van belang, de Nadere regels voor de lijst der geldelijke regelingen Franekeradeel-Harlingen van 26 juni 2023 (hierna: de Nadere regels), de lijst rechthebbenden, het toedelingsregister en de bedrijfskaart.
RECHTSOVERWEGINGEN

2.Het toepasselijke recht

2.1.
Deze herverkaveling is uitgevoerd onder het regiem van de Wet inrichting landelijke gebied (hierna: Wilg) van 7 december 2006 en de daarbij behorende regelgeving. De Wilg is ingetrokken per 1 januari 2024. Met ingang van 1 januari 2024 is de wettelijke regeling met betrekking tot landinrichting neergelegd in Hoofdstuk 12 (Bijzondere instrumenten voor het inrichten van gebieden) van de Omgevingswet.
2.2.
Volgens artikel 4.5 lid 1 onder c Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet van 14 maart 2020 blijft het oude recht van toepassing als een ontwerp van een besluit tot vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. In deze herverkaveling heeft het ontwerpbesluit-LGR van 2 november tot en met 13 december 2023 ter inzage gelegen, derhalve vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het verzoek zal daarom worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wilg en de daarbij behorende nadere regelgeving.

3.De feiten

3.1.
[C] en [D] zijn na de peildatum eigenaar geworden van een of meer percelen die op de peildatum in eigendom waren bij [A] en [B] , de rechtbank begrijpt de ouders van [D] .
3.2.
De inbreng van [A] c.s. bestond uit twee kavels. Van de grootste inbrengkavel is het noordelijke deel in het ruilplan van deze kavel afgesplitst en toegedeeld aan [E] , de eigenaar van het perceel ten noorden van deze kavel. De woning van [C] en [D] bevindt zich op een erfperceel dat aan de oostkant van de grootste inbrengkavel insnijdt, vlak bij de nieuwe eigendomsgrens met [E] .
3.3.
De Bestuurscommissie was in het kader van de kavelaanvaarding voornemens om op de nieuwe eigendomsgrens een sloot te graven.

4.De bezwaren

4.1.
[A] c.s. heeft bij verzoekschrift verzocht om het beroep tegen de LGR gegrond te verklaren, maar de rechtbank heeft hieruit niet kunnen afleiden wat het bezwaar tegen de LGR precies inhield, alsmede niet wat [A] c.s. verder wilde bereiken met het bezwaar. Het enige wat met enige moeite uit het verzoekschrift kan worden afgeleid is dat zij het niet eens zijn met het graven van de sloot, althans niet op de nieuwe eigendomsgrens.
Pas ter zitting is duidelijk geworden dat [A] c.s. een vergoeding wenst van schade die zij stelt te (gaan) lijden als gevolg van het graven van de sloot.

5.Het standpunt van de Bestuurscommissie/Gedeputeerde Staten

5.1.
Gedeputeerde Staten stelt dat het bezwaar tegen de sloot geen bewaar tegen de LGR is. Zij heeft overigens inmiddels aangeboden om de sloot geheel op de eigendom van [E] aan te leggen. Zij stelt verder dat er geen nadeel voor [A] c.s. is door de aanleg van de sloot en dat er geen grondslag is voor toekenning van schadevergoeding.

6.De beoordeling van het bezwaar

6.1.
Met betrekking tot het bezwaar oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 278 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bepaalt voor zover van belang dat het verzoekschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust bevat. Er is gelet op de inhoud van het verzoekschrift van [A] c.s. aanleiding om te oordelen dat niet aan deze vereisten is voldaan. Een enkel verzoek tot gegrondverklaring van het beroep zonder verdere in-/aanvulling is te onbepaald. Verder blijkt, zoals hiervoor onder 4.1 is aangegeven, niet duidelijk op welke gronden het verzoek berust.
6.2.
Naast het voorgaande overweegt de rechtbank nog het volgende. [A] c.s. heeft ter zitting verklaard dat hij schade lijdt door de aanleg van de sloot omdat [E] , die klaarblijkelijk de grond van [A] c.s. huurt, dat na aanleg van de sloot dat niet meer zal willen doen. Ook zal door het om cultuurhistorische redenen na het graven van de sloot moeten aanbrengen van enig hoogteverschil in het perceel van [A] c.s. de bewerkbaarheid worden bemoeilijkt. Verder claimt [A] c.s. belastingschade omdat bij de aankoop van de grond in het kader van het ontlopen van overdrachtsbelasting is bepaald dat deze nog gedurende tien jaar agrarisch moet worden gebruikt. Als [E] de grond niet meer wil gebruiken zal er geen vervanger kunnen worden gevonden.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat [A] c.s. de gestelde schade niet heeft onderbouwd en geconcretiseerd en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, terwijl dat in een geval als het onderhavige wel van hem wordt verwacht. De schade zoals die ter zitting voor het eerst naar voren is gebracht lijkt voornamelijk te zijn gebaseerd op veronderstellingen en een concreet schadebedrag is ook niet gesteld. De rechtbank laat hierbij nog in het midden of het graven van een sloot grondslag voor dergelijke schade kan vormen. Voor wat betreft de gestelde belastingschade geldt bovendien dat de LGR ziet op de financiële afwikkeling van de herverkaveling en de (theoretische) belastingclaim zoals die hier is aangevoerd en gemotiveerd valt daaronder niet. Het bezwaar zal gelet op het voorgaande ongegrond worden verklaard.
6.4.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten zal dragen.
7. Beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart het bezwaar ongegrond;
7.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen.
Deze beschikking is gewezen door mr. R. Giltay en door hem in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024 in aanwezigheid van mr. O.J. Bergsma als griffier.
c. 439
Rechtsmiddelenverwijzing
Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker, die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de bestuurscommissie beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te 's-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.