In de strafzaak rondom het grootschalige witwasonderzoek Lenwe heeft de rechtbank Noord-Nederland op 9 december 2024 een uitspraak gedaan over de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Hoewel partijen een strafmodaliteit overeen waren gekomen, kon de rechtbank zich niet verenigen met deze afspraken omdat de voorgestelde strafoplegging wezenlijk afweek van wat normaal gesproken passend zou zijn, ook rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank benadrukte dat zij nog geen inhoudelijk oordeel had geveld over de bewezenverklaring of de strafoplegging, maar slechts een marginale toets uitvoerde op de redelijkheid van de strafmodaliteit. Gezien de ernst van de feiten achtte de rechtbank de afgesproken straf te laag en besloot zij het onderzoek niet te sluiten maar te schorsen voor onbepaalde tijd.
De zaak wordt opnieuw ingepland voor een nader te bepalen zitting om de voortgang te bespreken. De rechtbank blijft zelfstandig verantwoordelijk voor de beantwoording van de wettelijke vragen en benadrukt dat deze beslissing niets zegt over de uiteindelijke bewijsvraag en strafoplegging. Verdachte en zijn raadsman waren aanwezig en stemden in met de procesafspraken, maar de rechtbank oordeelde anders.
Deze beslissing volgt op een langdurig en complex onderzoek met een internationale component, waarbij de klapdag in 2017 lag en de zaak pas in 2024 voor de rechtbank kwam. De rechtbank gaf aan dat de procesafspraken een aanzienlijke strafkorting inhielden vanwege de lange duur van het onderzoek en de complexiteit van de procedure, maar dat dit niet acceptabel was zonder inhoudelijke toetsing.