Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 9 december 2024;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 13 december 2024.
Rechtbank Noord-Nederland
De verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. S. Dijkstra, rechter belast met de behandeling van een zaak over een machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek was gebaseerd op vermeende partijdigheid vanwege een fout in een eerdere beschikking van 5 juli 2024 over de omgangsregeling.
De rechter stelde zich op het standpunt dat er geen sprake was van partijdigheid en dat de verzoeker onvoldoende onderbouwing had gegeven. De rechtbank toetste het wrakingsverzoek aan artikel 36 en Pro 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 6 EVRM Pro, waarbij het tijdig indienen van het verzoek centraal staat.
Omdat de verzoeker pas op 9 december 2024 het wrakingsverzoek indiende, ruim na de beschikking van 5 juli 2024, oordeelde de rechtbank dat het verzoek te laat was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop konden rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde de verzoeker niet-ontvankelijk en bepaalde dat de procedure met het oorspronkelijke zaaknummer wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens te late indiening; procedure wordt voortgezet.