In deze zaak heeft verzoekster een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw aan een adres in Groningen. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
De kern van het oordeel is dat verzoekster het griffierecht van €187,- niet tijdig heeft betaald. De griffier had verzoekster bij aangetekende brief van 31 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief is op 2 november 2024 bezorgd en ondertekend ontvangen. Verzoekster heeft echter niet betaald en geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het niet tijdig betalen van het griffierecht zonder verontschuldiging reden om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. De voorzieningenrechter volgt dit en beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.W.C.M. van Emmerik op 5 december 2024 en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.