ECLI:NL:RBNNE:2024:4686

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
18-950000-14
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ontbreken geschikte huisvesting

De veroordeelde is bij vonnis van 2 april 2015 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar, met een voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling op 22 oktober 2024. De officier van justitie vorderde uitstel van deze invrijheidstelling voor maximaal zes maanden, wegens het ontbreken van geschikte huisvesting die essentieel is voor het re-integratietraject.

De reclassering rapporteerde een gemiddeld-hoog recidiverisico, afwijkend van eerdere laag-gemiddelde inschattingen, en benadrukte dat zonder concrete woonruimte het re-integratietraject en de invulling van bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en elektronische monitoring niet kunnen starten. De veroordeelde stemde in met het uitstel en werkt mee aan het vinden van woonruimte.

De rechtbank overweegt dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling van vóór 1 juli 2021 van toepassing is. Gezien het ontbreken van geschikte huisvesting en het daardoor onvoldoende kunnen beperken van het recidiverisico, wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie toe en stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit voor zes maanden of korter indien eerder geschikte huisvesting wordt gevonden.

Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor zes maanden of korter totdat geschikte huisvesting is gerealiseerd.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.950005.14
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 1 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , thans verblijvende in de [instelling] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 2 april 2015, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren opgelegd. De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling is vastgesteld op 22 oktober 2024.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 19 september 2024 gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden uitgesteld voor de duur van 180 dagen of zoveel korter als noodzakelijk om aan detentie aansluitende geschikte huisvesting te realiseren. De grond waarop de vordering berust houdt - kort gezegd in dat met het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven op dit moment onvoldoende kan worden ingeperkt.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024. De veroordeelde is niet verschenen. Bij de stukken bevindt zich een schriftelijke verklaring van veroordeelde waaruit blijkt dat hij afstand doet van zijn recht ter terechtzitting te verschijnen. Namens verdachte is ter terechtzitting is wel verschenen mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous. Tevens zijn verschenen de deskundigen A. van der Ven en H. Droomers, van Reclassering Nederland.

Beoordeling

Het rapport van de reclassering
De reclassering heeft in het rapport van 16 september 2024 aangegeven dat, onder andere op basis van de verdiepingsdiagnostiek d.d. 1 juli 2024, geadviseerd wordt om veroordeelde verder te laten behandelen in een ambulant kader. Uit het onderzoek van de reclassering komen verschillende criminogene factoren naar voren die hebben bijgedragen aan het delictgedrag, namelijk: het niet hebben van huisvesting, het ontbreken van zinvolle dagbesteding, het niet hebben van een structureel inkomen, het hebben van schulden (al dan niet door de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen), de (eerdere) partnerrelatie, het psychosociaal functioneren en de (eerdere) pro-criminele houding van veroordeelde. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als gemiddeld-hoog, hiermee wijkt de reclassering af van de inschatting uit de verdiepingsdiagnostiek waarin het risico op laag-gemiddeld wordt geschat. De reclassering acht het van groot belang om het re-integratietraject van veroordeelde zorgvuldig en stapsgewijs op te bouwen. Op dit moment heeft veroordeelde na detentie nog geen zicht op concrete huisvesting en dit is een belangrijke bouwsteen om te kunnen starten met het re-integratietraject. De invulling van de bijzondere voorwaarden, zoals ambulante behandeling en begeleiding, kunnen pas verder aangevraagd en ingevuld worden als bekend is waar veroordeelde zal gaan wonen. Hetzelfde geldt voor het uitvoeren van het deeladvies elektronische monitoring om de mogelijkheden voor een enkelband te kunnen onderzoeken, in het kader van een locatiegebod en/of locatieverbod. Gelet op het voornoemde adviseert de reclassering om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen.
De deskundige A. van der Ven heeft ter terechtzitting de inhoud van het rapport bevestigd en nader toegelicht. Deze nadere toelichting houdt het volgende in:
Het regelen van huisvesting voor veroordeelde is noodzakelijk om het re-integratietraject en de bijbehorende bijzondere voorwaarde nader in te vullen. Op dit moment is er nog geen concreet zicht op huisvesting voor veroordeelde. Er wordt uitvraag gedaan bij verschillende instellingen met begeleid wonen. Een aantal van die instellingen heeft aangegeven dat de wachttijd minimaal zes maanden bedraagt. Er is ook contact gehad met een paar andere instellingen die een minder lange wachttijd hebben, maar daar
moet de casus nog mee besproken worden. Veroordeelde is zelf ook bezig met het zoeken naar geschikte woonruimte.
Na het vinden van geschikte woonruimte duurt het opstellen van het deeladvies met betrekking tot de elektronische monitoring nog ongeveer twee weken.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling gehandhaafd.
Het standpunt van de veroordeelde
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat veroordeelde zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van zes maanden, of zoveel korter als noodzakelijk om aan detentie aansluitende geschikte huisvesting te realiseren. Veroordeelde begrijpt dat er eerst een geschikte woonruimte gevonden moet worden, alvorens de voorwaardelijke invrijheidstelling kan aanvangen. Naast dat de reclassering aan het zoeken is naar een geschikte plek voor veroordeelde, is veroordeelde zelf ook aan het zoeken naar woonruimte. Veroordeelde wil zich aan alle voorwaarden houden die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling gekoppeld zullen worden en stelt zich meewerkend op naar de reclassering.
Het oordeel van de rechtbank
Op 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Met deze wet is de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling gewijzigd. De wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering die in dit verband hebben plaatsgevonden, hebben echter geen gevolgen voor veroordelingen tot een vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet. Bij deze veroordelingen wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze wet.
Het vonnis tegen de veroordeelde is gewezen op 2 april 2015. Ten aanzien van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde is dus de regeling van voor 1 juli 2021 van toepassing.
De rechtbank overweegt dat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven thans onvoldoende kan worden ingeperkt. In tegenstelling tot de verdiepingsdiagnostiek d.d. 1 juli 2024 waarbij het recidiverisico op laag-gemiddeld wordt geschat, schat de reclassering het recidiverisico als gemiddeld-hoog in. Zowel de reclassering als de penitentiaire inrichting adviseren om voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen aan veroordeelde met een aantal bijzondere voorwaarden, maar alleen als veroordeelde aansluitend aan detentie beschikt over geschikte huisvesting. Op dit moment is er nog geen geschikte huisvesting voor veroordeelde gevonden, hetgeen wel noodzakelijk is om te kunnen starten met het re-integratietraject en om de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling nader in te vullen. Gelet op het ontbreken van geschikte huisvesting voor veroordeelde, is de rechtbank van oordeel dat dat door het stellen van voorwaarden op dit moment het recidiverisico onvoldoende kan worden ingeperkt. De voorwaardelijke invrijheidstelling kan pas aanvangen indien er huisvesting voor veroordeelde is gevonden die door de deskundigen geschikt wordt geacht.
De rechtbank ziet - gelet op het voorgaande - aanleiding de vordering van de officier van justitie toe te wijzen.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering toe en stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit voor de duur van
zes (6) maanden, of zoveel korter als noodzakelijk om aan detentie aansluitende geschikte huisvesting te realiseren.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. L.S. Wachters, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 oktober 2024.