ECLI:NL:RBNNE:2024:3990
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplichtigheid aan oplichting
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 oktober 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd vervolgd voor medeplichtigheid aan oplichting. De officier van justitie had een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend ter hoogte van €9.272,93, later bijgesteld naar €2.302,88 op basis van een rapport uit 2018.
Tijdens de terechtzitting op 26 september 2024 heeft de verdediging betoogd dat toewijzing van de ontnemingsvordering in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van een goede procesorde, vanwege overschrijding van de redelijke termijn, vergelijkbaar met een eerdere afwijzing in de zaak van een medeverdachte.
De rechtbank overwoog dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel relatief gering was, dat de vorderingen van benadeelde partijen reeds waren toegewezen en dat het tijdsverloop aanzienlijk was. Gezien deze omstandigheden achtte de rechtbank toewijzing van de ontnemingsvordering niet langer aangewezen en wees de vordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.